|
Maandelijks thema
Er bestaat bij vaak startende
sportmasseurs vraag naar bespreking van sportblessures en andere voor
het vak belangrijke thema's. In deze rubriek
krijgt maandelijks een thema aandacht.

|
|
In het maandelijks thema van juli is een inleiding gegeven
over de spieren en de steun en bescherming, die de spieren aan het
bewegingsapparaat geven. Om in te
schatten wat de invloed van kracht of de afwezigheid ervan voor een invloed op de
musculatuur heeft, zijn een aantal zaken in genoemd artikel nog eens belicht. Hebt
u dit gemist, dan kunt dit vinden onder
"MTK_1".
Krachtsverloop
|
Gedurende de contractie verandert de kracht die de spier levert
voortdurend. De kracht van de biceps neemt bijvoorbeeld tijdens zijn
contractie steeds toe. Het maximum wordt overschreden wanneer boven- en
onderarm een scherpe hoek vormen en neemt vervolgens aan het einde van de
contractie stijl af. Zo heeft iedere gewrichtsfunctie in vergelijking met
een ander gewricht zijn specifiek krachtsverloop. Deze verschillen hebben
zowel mechanische als fysiologische oorzaken. |
Trainingsfysiologisch gezien kan men de afzonderlijke spier niet als
’n eenheid beschouwen. Exact genomen geeft een oefening uiteindelijk
in iedere gewrichtshoek, waarin de spier sterk wordt
belast, een toename van kracht. Dit houdt in dat men in de ADL
bezigheden een veranderde “onechte” krachtcurve laat zien. Het verloop
hiervan is met betrekking tot de belastingen waar het lichaam mee
geconfronteerd wordt verschillend.
In het algemeen kan men stellen. De zwakte van de spier – en
daarmee de reserves om in kracht te groeien – ligt hoofdzakelijk aan
het einde van de contractie.
De reden hiervoor is, dat bijna alle trainingsbelastingen in
beroep en sport dit gebied nauwelijks bereiken. De krachtscurven van
een persoon geven een duidelijk beeld, waar de kracht achter blijft.
Een overeenkomstig onderzoek uitgevoerd bij een rugpatiënt geeft de
arts een indicatie, in welke bewegingshoek zich in zijn geval een
krachtsdeficit bevindt. Als iemand zijn krachtsverloop corrigeert,
brengt hij zijn bewegingsapparaat in orde. Dit is niet alleen met “een
beetje beweging” mogelijk. Krachtsapparatuur biedt hierbij enorm veel
mogelijkheden.
|

| |
De onderste curve
laat de spierspanning zien gedurende een
halteroefening, de bovenste de spanning die nodig is opdat de
spier bij elke lengte (in elke bewegingshoek) getraind wordt. |
|
Spierkracht
Bij Kiesertraining wordt uitgegaan van de
maximale kracht van de spier. De maximale kracht van de spier
correspondeert met de maximale spanning die de spier ontwikkelen kan. Er
wordt vaak gebruik gemaakt van de volgende contracties: isometrisch
(statisch), dynamisch-concentrisch (positief - overwinnende kracht), dynamisch-excentrisch
(negatief - toegevende - of remmende kracht). De volgende proef maakt
duidelijk dat het bij de begrippen isometrische, concentrische en
excentrische kracht het steeds om dezelfde “kracht” gaat. De test wordt
uitgevoerd op de strekkers van het onderbeen (m. quadriceps ). Het
testapparaat met bewegingsarm is gekoppeld aan een servosysteem, dat de arm
in een langzaam tempo op en neer beweegt. De proefpersoon probeert de arm
in opwaartse richting te versnellen en bij de neerwaartse beweging te
remmen. Hierbij werken dus dezelfde spieren achtereenvolgens concentrisch
en excentrisch. In de arm zijn rekstrookjes aangebracht waarmee nauwkeurig
de kracht gemeten wordt. Bij de concentrische beweging moeten de spieren
niet alleen de uitwendige weerstand overwinnen doch ook haar inwendige
wrijving. Bij de excentrische beweging helpt (remt) deze inwendige
wrijving de spier. Het is daarom dan ook, dat excentrisch met een
groter gewicht gewerkt kan worden dan concentrisch. De statische kracht
(zie grafiek) ligt in het midden tussen de excentrische en de
concentrische. Als de vermoeidheid toeneemt wordt ook de inwendige
wrijving groter. Het is daarom dan ook, dat dynamische bewegingen minder
betrouwbaar zijn. Bruikbare meetresultaten voor zowel wetenschappelijke
als medische doeleinden voert men meestal uit met statische metingen. Op
de kracht van een spier heb je invloed door training, op de coördinatie
door oefening van bewegingspatronen.
 |
Het krachtsverloop bij drie
belastingsvormen is identiek:
- statisch - balkendiagram;
- concentrisch - onderste (bruine) curve;
- excentrisch - bovenste (groene curve).
De verschillen in kracht hangen af van de inwendige "wrijving"
(weerstand) die overwonnen moet worden bij een concentrisch kracht of
die "meewerkt" bij een excentrische kracht.
|
Principe Kiesertraining
De Kiesertraining is anaëroob lactisch en
wordt uitgevoerd totdat een spiergroep dusdanig verzuurd is, dat geen
herhaling meer uitgevoerd kan worden. Een trainingseenheid duurt 60-90
seconden en bestaat uit 6-9 herhalingen, waarbij elke herhaling langzaam
uitgevoerd wordt met een frequentie van 4 seconden voor de
concentrische fase, 2 seconden pauze in een volledige contractie (isometrisch)
en weer 4 seconden voor de excentrische fase.
Er kan dus een gewicht gekozen worden, waarbij men in 60 s. 6 herhalingen
kan uitvoeren of een gewicht waarbij men in 90 s 9 herhalingen kan
uitvoeren. Het is niet de bedoeling dat de frequentie verhoogd wordt, want
dit gaat ten koste van de
technische uitvoering en geeft daarmee een minder effect van de training.
De spieren die een bepaalde beweging uitvoeren, worden geïsoleerd
getraind. De instelling van een machine is dusdanig dat de gewrichtsas en
het draaipunt van de bewegingsarm overeenstemmen.
Indien het aantal herhalingen boven genoemde getallen uitstijgt, dan wordt
een volgende keer een gewicht gekozen dat 5% hoger ligt. Wordt het aantal
herhalingen niet gehaald, dan kiest men een gewicht dat 5% lager ligt.
Met een toename van de trainingsvoortgang wordt de bandbreedte van de dosis
van de belasting, die effect sorteert, echter enger. De genetisch bepaalde verschillen
in de spieren worden duidelijker zichtbaar en er moet geleidelijk aan rekening worden gehouden
om de dosis van de training af te stemmen op het dominante vezeltype.
Voor 6 van de 10 personen ligt de werkzame prikkel aanspanningstijd tussen
60 en 90 seconden. Voor ongeveer 3 van de 10 op basis van hun
vezeltypering (fast-twitch) tussen 40 en 60 seconden. 1 op de 10 personen
behoort het uithoudingsvermogen type, die overwegend beschikken over
Slow-twitchvezels en dienovereenkomstig een langere aanspanningstijd nodig
hebben.
Wat houdt dit in voor de
planning van de training? In het begin niet veel, omdat het spectrum
waarbinnen de spieren reageren nog tamelijk breed is. Eerst dan wanneer de
spierkracht aanzienlijk gestegen is, moet men meer individueel trainen.
Dit tijdstip neemt men meestal waar, wanneer men gedurende enkele weken
geen toename van spierkracht meer ervaart. Op dit moment moet een
deskundige trainer een spiervezeltest uitvoeren.
Wanneer een trainingseenheid goed wordt uitgevoerd, dan is het niet nodig
om deze te herhalen, want dit brengt geen extra winst aan spierkracht,
doch dit vormt een overvloedige belasting van het zenuwstelsel. Ofschoon
dit feit al meer dan 30 jaar uit onderzoeksresultaten duidelijk blijkt,
wordt door velen nog meerdere sets in een trainingseenheid uitgevoerd.
Iemand die een oefening goed uitvoert, is niet in staat om deze
onmiddellijk er na weer uit te voeren.
Wanneer men b.v.
uitsluitend de benen traint, dan kan men geleidelijk ook een krachttoename
in de spieren van de romp vaststellen. Dit feit is natuurlijk minder
alsook de spieren van de romp getraind worden. Maar het effect is er. Het doet zich echter slechts voor wanneer grote spiergroepen van heup en
benen getraind worden. Nieuwe studies laten een aanzienlijke stijging
van het testosterongehalte zien na een training, wanneer men tegelijkertijd grote
spiergroepen met zware lasten traint, dan wanneer men slechts kleine
spiergroepen traint. Daarom stelt men een logische volgorde voor om
spiergroepen te trainen.
Eerst de grote spiergroepen:
© Gluteaalmusculatuur, bovenbeen-, buik- en lage rugspieren;
Vervolgens de kleine:
© hoge rug-, borst- en schouderspieren. Spieren van de bovenarmen, van de
hals alsook de onderbeen- en
onderarmspieren.
Wanneer we dit betrekken op de gewrichten, dan is de volgorde:
1. Heupgewricht;
2. Kniegewricht;
3. Lumbale wervelkolom;
4.
Schoudergewricht;
5. Halswervelkolom;
6. Ellebooggewricht;
7. Enkelgewricht,
8. polsgewricht.
Wanneer men het trainingsprogramma van Kieser volgt, waarbij men
nagenoeg het gehele spiercorset traint, dan bestaat het programma uit 20
verschillende oefeningen. Men gaat van toestel naar toestel en er is
nauwelijks pauze tussen de verschillende oefeningen.
Kieser gaat uit van krachttraining, waarbij wordt gewerkt met MedX apparatuur
die ontwikkeld is door Arthur Jones - eerder ontwikkelaar van de Nautulus
apparatuur. Zijn apparatuur hebben intrede in de medische wereld gedaan
toen hij apparatuur ontwikkelde, waarmee het mogelijk was de lage
rugspieren, lumbaalextensoren, geïsoleerd te testen en te trainen.
Gedurende vele jaren heeft hij zich uitsluitend bezig gehouden met de
therapeutische mogelijkheden van training bij lage rugproblematiek. Zijn
apparatuur maakt gebruik van een excenter. Onderstaande figuur geeft de
werking van een excenter weer.
 |
De bewegingsarm die de verbinding vormt
met A en O, wordt in de richting van de pijl bewogen. Vast hiermee
verbonden is een excentrische schijf. Het geheel roteert om de
bewegingsas “O”. De excenter beschrijft op de tekening een
spiraalvormige curve. In de praktijk hebben we te maken met
excenterschijven met verschilenden curven, al naar gelang de
spiergroep die getraind wordt. In punt “a” van de excenter is een
sterke band bevestigd waarvan aan het einde een gewicht “Q” hangt. De
trekkracht die door het gewicht “Q” op de bewegingsarm uitgeoefend
wordt, hangt af hoever punt “m1” horizontaal van de “O-as” verwijderd
is. Hoe korter het zich bij de as bevindt, des te geringer is de
kracht.
|
Lage
rugproblematiek
Zoals bekend worden veel mensen zo nu en dan geconfronteerd met lage
rugproblematiek in welke vorm dan ook. 60-80% heeft zo af en toen wel eens
problemen in deze regio, doch 20-30% hebben te kampen met chronisch lage
rugpijn. De chronische lage rugpijn wordt de laatste 10 jaar meer en meer
als een multidimensionaal syndroom gezien, waaraan verschillende oorzaken
ten grondslag kunnen liggen, om er eens enkele te noemen; fysische- en
psychische predispositie, persoonlijkheidsstructuur, socio-economische
componenten e.a.
Chronische rugpijnen leiden veelal tot een aanzienlijke beperking van de
levenskwaliteit van de betrokkene. Veel chronische rugklachten werden te
vaak als zuiver psychogeen aangemerkt.
Reconditionering (= verbetering van het lichamelijke prestatievermogen, in
het bijzonder de kracht en beweeglijkheid van o.a. het lage ruggebied)
wordt in toenemende mate gezien als een beslissende pré-, postoperatieve
of zelfs een operatie besparende behandelingsmodaliteit.
Chronische lage rugpatiënten vertonen veelal geatrofieerde paravertebrale
lage rugmusculatuur, vooral de lumbale extensoren.
Bij veel lage rugpijnen treft men een segmentinstabiliteit aan. Elkaar
opvolgende blokkaden van de facetgewrichtjes komen vaak voor
(beschermingsmechanisme van de wervelkolom om de stabiliteit te
herstellen). Hypermobiele en hypomobiele segmenten worden vaak
tegelijkertijd aangetroffen. De pijn in een bewegingssegment leidt tot een
reflectoire remming van de spier met een verlies aan kracht, uithoudings- en
coördinatief vermogen. Verder kunnen musculaire dysbalansen ontstaan, die
een afwijking in de statiek teweeg brengen.
Het klassieke afwijkingspatroon van een patiënt met chronische lage
rugklachten is een voorover gekanteld bekken met insufficiënte extensoren van de
wervelkolom waarbij deze spieren eveneens
hypertoon zijn:
© atrofie buikspieren en gluteaalmusculatuur;
© verkorting van de iliopsoas en ischiocrurale musculatuur;
© hypertonie van delen van de gluteaus maximus en medius, de
piriformis en de tensor fasciae latae;
© kyfose met scapula alata, door insufficiëntie van de spieren
die de scapula fixeren ( o.a. serratus anterior,
trapezius, rhomboideus e.a.);
© myogelosen of hypertonie in/van de nekschouderspieren. De
triggerpunten in de tendomyotisch hypertone spieren van de bekken- en
nek-schouderlijnspieren stralen pijn (referred) in de extremiteiten. Dit
geheel is o.a. door Brügger uitvoerig beschreven.
Omdat de laatste jaren in het bijzonder de zwakte van de lumbale
extensoren als primaire factor voor lage rugpijn gezien wordt, moet het
prestatievermogen van deze spieren onderzocht worden. Dit is belangrijk om
voor het opstellen van een goed therapieprogramma.
Aanvullende therapiemaatregelen
Het is algemeen bekend, dat bij chronische lage rugpijn de totale
rompmusculatuur verbeterd (getraind) moet worden.
De kracht van de lumbale extensoren kan gerekend worden tot de zwakste in
de bewegingsketen, die de LWS stabiliseert. Daarom is versterking van deze
spieren het belangrijkste doel van de therapie.
Zoals reeds vermeldt, hebben de “steunorganen” van de wervelkolom
wezenlijk belang bij de stabilisatie van de bewegingssegmenten. In het
bijzonder de buikspieren, gluteaalmusculatuur, ischiocrurale spieren, de
laterale rompspieren alsook de borst- en schouderspieren moeten in het
kader van een medisch trainingsprogramma volgens Gustavsen versterkt
worden. Genoemde spiergroepen moeten met trainingsapparatuur versterkt
worden, die de spieren geïsoleerd kunnen trainen met een variabele
weerstand, zoals b.v. de Nautilus apparatuur of de MedX-exercise-Serie.
Oefentherapie (coördinatietraining, rekkingsoefeningen, scholing van de
lichaamshouding) kunnen noodzakelijk zijn, alsook passieve maatregelen
voor regeneratie of pijnbestrijding bij hardnekkige probleemgevallen. De
passieve maatregelen moeten tot het absolute minimum beperkt worden. Zij
hebben met het eigenlijke doel van de therapie - functieverbetering van de
wervelkolom slechts indirect te maken.
In de eerste 3 – 4 weken van een weerstandstraining wordt de toename van
kracht hoofdzakelijk bewerkstelligd door een verbetering van de neurale
rekrutering.
Uitvoering diagnostiek
Voor
de uitvoering van een exacte diagnostiek moet de volgende voorwaarden
worden vervuld:
1. Door fixatie van het bekken moeten de lumbaalextensoren geïsoleerd
getest worden;
2. Compensatie van de zwaartekracht (bovenlichaam);
3. Meting van spanning van de weke delen en de netto spierkracht;
4. Isometrisch testen in de volledige bewegingsmogelijkheid (range of motion);
5. Spiervezeltypering door de uitputtingsreactie.
Voorbeeld
Bij het begin van de therapie wordt de “ist” en “soll” bepaald. In
dit voorbeeld is de
patiënt een arts, 49 jaar oud en waterskister. Zij had gedurende vele jaren
chronische rugpijn met uitstraling naar de onderste extremiteiten. Er
werden 18 behandelingen uitgevoerd aan het "lumbar-extension-apparaat" van
MedX. De patiënt is momenteel pijnvrij.
 |
|
 |
Interessant bij dit voorbeeld is het S-vormig verloop van de
krachtscurve bij de eerste test. Het wijst rechtstreeks op de tak van
sport van genoemde patiënt. Waterskiën belast en traint de lage
rugspieren in het horizontale vlak, waarin de patiënt de grootste
kracht vertoont. De rechte lijn erboven laat de “soll” waarde zien op
dit krachtsniveau. |
|
Krachtscurven aan het begin (beneden) en aan het einde van de therapie
(boven). De totale kracht is aanzienlijk gestegen, de intramusculaire dysbalans is
vergaand gecorrigeerd en de pijn is verdwenen.
|
Procedure
van de therapie
Onderzoek arts
©
Indicatie/contraindicatie
©
Therapieprogramma (1-2x/wk,12-18 sessies),
Phase 1
©
Apparaatinstelling en gewenning
©
Duur: 2-4 sessies
©
Isometrische test van de maximale kracht
Phase 2
©
Spieropbouw
©
Isometrische test
Afsluitend onderzoek arts
©
Vastlegging verdere procedures
Doel van de therapie
©
Verbetering
van de functionaliteit door:
²
Vergroting van de kracht
van de rugspieren
²
Verbetering van de
beweeglijkheid van de wervelkolom
©
Pijnreductie
|
|
|
 |
|
Resultaat van de therapie
©
80% van de patienten met chronische
rugklachten hebben succes met de
therapie;
©
Lineaire correlatie tussen stijging
van de kracht en succes van de therapie
•
©
13 maanden na het einde van de
therapie kon 90% van de patienten het resultaat van de
therapie
vasthouden
•
© Het
resultaat van de therapie is onafhankelijk van leeftijd, geslacht en
diagnose. |
Dus nogmaals:
Deze pagina is gereviseerd op 1-11-2008
|
|
|