|
Een niet-efficiënte (laag-drempelige)
recrutering van de stabiliserende musculatuur rond het bekken en een
dysbalans tussen de globale musculatuur zijn verantwoordelijk voor
„bekkeninstabiliteit“ in één of meerdere van de vier gewrichten die deel
uitmaken van het bekken m.n. de twee sacro-iliacale gewrichten, symphysis
pubis en de lumbo-sacrale-overgang.
De functionele spierclassificatie volgens "Kinetic
Control (KC)"
Binnen de „stabiliserende musculatuur“ maakt KC onderscheid tussen de „local
stabilisers“ en de „global stabilisers“. De „local stabilisers“ zijn
monosegmentale spieren, die heel axiaal gelegen zijn zoals o.a. de
m.transversus abdominis, diepe lumbale multifidi, m. psoas major (posterior
fasciculi), bekkenbodemspieren, diepe sacrale gluteus
maximus. Door een laag-drempelige
contractie (maximum 25% MVC) veroorzaken ze een „segmentale stijfheid“
(figuur 1) en controleren ze hierdoor de intra-articulaire translatie ; hun
activiteit is niet richtingsspecifiek.
| |
 |
fig. 1
Er is geen lineaire relatie
tussen kracht en stabiliteit.
1-3% MVC (maximally
voluntary contraction)
verhoogt de segmentale
stijfheid significant. Optimale
stabiliteit wordt verkregen bij
25% MVC.
|
Ook de „global stabilisers“ (zoals m.
gluteus maximus profundus, m. gluteus medius, m. obliquus externus, mm.
multifidi superficialis, ...) zijn dieper gelegen spieren, maar deze
overbruggen vaak één of meerdere segmenten. Ze controleren de angulaire
beweginsuitslag (ROM) in een bepaalde bewegingsrichting en dit vaak door
excentrische activiteit in het transversale vlak (rotatie). Zo wordt
anteriorotatie van het ilium (contranutatie) gecontroleerd door excentrische
spieractiviteit van o.a. de mm. glutei, de schuine buikspieren en de
oppervlakkige multifidi. De derde spiergroep, de „global mobilisers“, zijn
oppervlakkig gelegen spieren die multisegmentaal verlopen en die uitermate
geschikt zijn om een angulaire bewegingsuitslag (ROM) te veroorzaken. Zo
zullen de m. rectus femoris, m. tensor fascia latae, m. iliocostalis en m.
piriformis een anteriorotatie van het ilium veroorzaken terwijl de m.
rectus abdominis en de hamstrings een posteriorotatie van het ilium
veroorzaken. Bij een zware belasting (zoals bv. lopen, gooien, ...)
vervullen ook deze „global mobilisers“ een stabiliteitsrol.
Spierdysfuncties bij bekkeninstabiliteit
Door pijn en pathologie worden de „local en de global stabilisers“ geïnhibeerd
waardoor een verlies aan segmentale controle en een „functionele
instabiliteit“ ontstaat (Figuur 2). Eveneens ontstaat er een „globale
spierdysbalans“ tussen de geïnhibeerde
„global gtabilisers“ (underpull - figuur 3) en de verkorte/dominante „global
mobilisers (overpull -figuur 3).
| |
 |
Fig. 2
De relatie tussen "local
stabiliser, global stabiliser,
global mobiliser, functio-nele (in)stabiliteit en
globale spier(dys)balans.
|
| |
 |
Fig. 3
"Overpull" door dominantie van de global mobilisers en "underpull"door
inhibitie van de global stibilisers veroorzaken een verplaatsing van
de bewegingsas.
|
Anterior rotatie van het ilium (in relatie
tot het sacrum) kan provocatief zijn bij patiënten met bekkeninstabiliteit
aangezien deze contranutatie het SIG „destabiliseert“ door een verminderde „self-bracing“. Zo zal dominantie
en/of verkorting van de m. tensor fascia latae en m. rectus femoris
enerzijds en inhibitie van de mm. glutei anderzijds een anterior rotatie van
het ilium veroorzaken. Dit is eveneens zo indien de m. iliocostalis dominant
is t.o.v. de oppervlakkige mm. multifidi tijdens lumbale extensie gecombineerd
met anterior tilt van het bekken. Of indien de m. tensor fascia latae
dominant is tov. de m. iliacus tijdens heupflexie of tijdens een actieve SLR
(straigt leg raise).
De passieve SLR daarentegen zal gepaard
gaan met een posteriorotatie van het ilium en zal dan ook niet provocerend
zijn voor het instabiele SIG. Door dominantie van de hamstrings zullen de geïnhibeerde mm.
glutei onvoldoende stabiliteit verschaffen aan de SIG
tijdens laag belaste activiteiten. Asymmetrische verkorting van de
hamstrings zal een intra-pelvische torsie veroorzaken en dit vnl. bij
eindstandige flexie. Onder hoge belasting fungeren de hamstrings echter als
tertiaire stabilisator aangezien ze het ilium naar posterior roteren en een
forse anterio- rotatie van het ilium kunnen controleren. Doch is het niet
wenselijk dat global mobilisers onder „lage belasting“ dominant zijn t.o.v .
hun synergisten (global stabilisers).
Niet alleen lumbale extensie maar ook
voorwaarts leunen (in zit of stand) kan provocatief zijn bij patiënten met
bekkeninstabiliteit aangezien het zwaartepunt van de romp hierbij anterior
verplaatst wordt t.o.v. het bekken. In deze positie heeft het SIG immers een
verminderde „vormsluiting“ en een verminderde „krachtsluiting“. Ook een sit-up-beweging is vaak pijnlijk bij patiënten met
SIG-instabiliteit indien de heupflexoren het ilium naar anterior „trekken“
en zodoende het SIG „destabiliseren“.
Indien de rompflexoren in staat zijn om de
posterior tilt van het bekken te behouden tijdens een curl-up is er een
toename van de vormsluiting en een betere SIG-stabiliteit. Inefficiënte
recrutering van de „local stabilisers“ veroorzaakt een „articulaire
translatoire give“ (Figuur 4) ; dysfuncties van de „Global Stabilisers“
veroorzaken een „myofasciale range give“ (Figuur 4) en dysfuncties van de
„Global Mobilisers“ veroorzaken een „myofasciale restrictie“ (Figuur 4). Met
„give“ wordt een ongecontroleerde beweging bedoeld, met „restriction“ wordt
een functiebeperking bedoeld. Vaak onstaat een „give“ als compensatie voor
een „restriction“ (Figuur 5).
Mechanical Stability Dysfunction
| |
 |
|
| |
Fig. 4 |
|
| |
 |
|
| |
Fig. 5
De sequellen van de spierbalans. |
|
Het klinisch onderzoek volgens KC
Belangrijker dan het behandelen van de symptomen is het opsporen van de
onderliggende bewegingsdysfuncties (Figuur 6). Het zijn immers deze
dysfuncties die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van de pijn en de
pathologie. Bovendien zijn het ook deze dysfuncties die steeds opnieuw
recidiverende klachten veroorzaken indien ze blijven voortbestaan als de
pijn is verdwenen. De te behandelen bewegingsdysfuncties moeten gerelateerd
zijn aan het klachtenpatroon van de patiënt. Voor het testen van de 3
spiergroepen heeft Kinetic Control specifieke klinische tests ontworpen die
op een eenvoudige manier getoetst worden aan welbepaalde „normen“ en
„gescoord“ worden op een 3-puntsschaal (VV , Vx , XX).
| |
 |
Fig. 6
Model van mechanische bewegingsdysfunctie.
Segmentale en multi-seg-
mentale "give" en
"restriction" vormen de
basis van de bewegings-
dysfunctie-pyramide. |
De „local stabilisers“ (zoals TA, LM, ...)
worden getest op het vermogen om „efficiënt gerecruteerd te worden tijdens
laag-drempelige activiteiten“ en dit zonder substitutie van andere locale
en/of globale spieren, zonder „cocontractie rigiditeit“, zonder asymmetrie
en met behoud van een normaal ademhalingspatroon (low treshold recruitment :
less is more !). Een ongecontroleerde articulaire translatie (bij positieve
glide-tests of positieve self-locking-tests), pijn of recidiverende klachten
zijn een indicatie om de „local stabilisers“ te testen. De stabiliserende
functie van de lumbale multifidi, de m. obliquus
internus (antero-inferior) en de m. transversus abdominis op het SIG werd reeds onderzocht. Bovendien werd een
cocontractiepatroon aangetoond tussen m. pubococcygeus en m. transversus abdominis. Vermoedelijk verzekeren deze spieren de
stabiliteit t.h.v. de symphysis pubis en voorkomen ze translatoire bewegingen
van de symphysis tijdens activiteit van de adductoren. Ook zijn er verschillende aanwijzigingen en is er evidentie om de
posterieure fasciculi van de m. psoas major te beschouwen als een local stabiliser. Bij patiënten met acute en
chronische lage rugpijn en bij patiënten met unilaterale sciatica t.g.v. een discushernia werd een afname van
de cross-sectionele area van m. psoas vastgesteld. Verder werd aangetoond
dat de m. psoas major, door zijn aanhechting op de processus transversus van
alle lumbale wervels, in staat is om axiale compressie uit te oefenen,
eerder dan dat de m. psoas major beweging van de wervelzuil veroorzaakt. Ook de innervatie van de posterieure vezels van de m.
psoas major is verschillend met die van de anterieure vezels. Bovendien is de m.
psoas-fascia
anatomisch verbonden met het crurale gedeelte van het diafragma en met de
fascia van de m. pubococcygeus. Dat de m. pubococcygeus
en het costale gedeelte van het diafragma een stabiliteitsrol vervullen
(onafhankelijk van de ademhaling), werd reeds aangetoond. Op deze wijze fungeert de m.
psoas dan ook als
een mechanische „link“ tussen de „top“ en de „bodem“ van de lumbale „cylinder“
en speelt de m. psoas vermoedelijk een rol bij het verbeteren van de lumbale
stabiliteit door toename van de intra-abdominale druk. Door de aanhechting
van de fascia van de anterieure fasciculi van de m. psoas major met het ilium (pelvic brim)
veroorzaakt de m. psoas major eveneens een posterior rotatie van het ilium
wat een stabiliserend effect heeft op het SIG. Dit alles maakt dat de m.
psoas major als een belangrijke stabilisator kan beschouwd worden van de LWZ,
het SIG en het heupgewricht. Bij de „global stabilisers“ wordt nagegaan of
deze spieren het vermogen hebben:
1. Om dmv. een concentrische contractie de
„ganse“ bewegingsbaan af teleggen (tot in de
proximale baan of „inner
range“),
2. Om dmv. een isometrische contractie deze „inner range“ te
behoudengedurende 15"
3. Om dmv. een excentrische contractie de
uitgangspositie terug te bereikenop een
gecontroleerde wijze.
De
belangrijkste global stabilisers die de stabiliteit van het SIG verzekeren,
zijn de schuine buikspieren en de mm. glutei. De „global mobilisers“ worden
getest op hun lengte en rekbaarheid („extensibility“). Ook voor het scoren
van deze tests is een bepaalde norm („benchmark“) voorzien. De hamstrings en
m. rectus abdominis kunnen beschouwd worden als tertiaire „stabilisers“ bij
zware belasting (high load activity). Dominantie en/of verkorting van de m.
tensor fascia latae en m. rectus femoris veroorzaken een anteriorotatie
van het ilium en „destabiliseren“ op deze wijze het SIG.
De behandeling volgens het KC-concept
Het
behandelplan wordt opgesteld op basis van de testresultaten.
Bij inefficiënte (laag-drempelige) recrutering van de stabiliserende
musculatuur worden (laag-drempelige) stabiliserende oefeningen aangeboden
(figuur 7). Dominante en/of verkorte global mobilisers worden behandeld met
inhiberende verlengingstechnieken, een articulaire bewegingsbeperking dient
gemobiliseerd of gemanipuleerd te worden (figuur 7).
Mechanical Stability Dysfunction
| |
 |
Fig. 7
Behandelprincipes
|
1. voor de Local Stabilisers
Een aangehouden contractie van de local stabilisers terwijl de wervelzuil zich in neutrale positie bevindt en dit
onder een laag fysiologische belasting. Belangrijk hierbij is dat de
therapeut tijdens de behandeling voldoende visuele (spiegel,
demonstratie,...), auditieve (beeldspraak, uitleg, . . .) of kinesthetische
(palpatie, tape, ....) feedback geeft aan de patiënt. Van zodra
de patiënt in staat is deze specifieke recrutering uit te voeren, is snel
een progressie naar functionele oefeningen is wenselijk.
2. voor de Local en de Global Stabilisers: dissociatie-oefeningen.
Na
identificatie van de bewegingsrichting die onvoldoende gecontroleerd wordt
(„Give“), kan gestart worden met dissociatieoefeningen waarbij de
stabiliserende musculatuur de aangedane regio of - segmenten in neutrale
positie moet behouden terwijl met de aanliggende bewegingssegmenten een
beweging wordt uitgevoerd. De dynamische controle in die bewegingsrichting
mag enkel maar zover getraind worden als de beweging gecontroleerd kan
worden ! („control the give and move the restriction“).Dissociatie-oefeningen
zijn vaak „onnatuurlijke“ of „ongewone“ bewegingspatronen maar toch zou
iedereen in staat moeten zijn om deze bewegingspatronen uit te voeren. Ook
hierbij is het belangrijk om tijdens de behandeling voldoende proprioceptieve stimuli te geven aangezien patiënten met (chronische) lage
rugpijn een onderliggende proprioceptieve dysfunctie vertonen m.n. een
verminderde positiezin en een
gewijzigde posturale balans. Wanneer de uitvoering
van de dissociatieoefeningen „natuurlijker“ aanvoelt, duidt dit op een
betere slow-motor-unit-recrutering van de stabiliserende musculatuur. Vaak
kan de behandeling gestart worden met deze dissociatieoefeningen. Immers,
als de patiënt de „give“ controleert, controleert hij ook zijn pijn.
Controle van de bekkengordel-rotatie is het belangrijkste bij
bekkeninstabiliteit.
3. Voor de global stabilisers.
De global stabilisers, zoals de mm.
glutei, mm. obliques, ..., worden getraind tot in hun verkorte/proximale
baan („inner range“) d.m.v. een laag-drempelige contractie (concentrisch,
isometrisch en excentrisch). Deze spieren moeten immers in staat zijn om de
gehele ROM te controleren. Progressie naar oefeningen met een hogere
belasting is noodzakelijk, doch is „overload training“ uit den boze omdat op
deze wijze vnl. de reeds dominante global mobilisers versterkt worden met
een toename van de „global dysbalance“ als gevolg.
4. voor de Global Mobilisers
De verkorte bi-articulaire spieren
worden via een actieve stretchtechniek verlengd mn Active Inhibitory
Restabilisation (AIR).
5. TOP TIP : Het is eveneens uiterst
belangrijk om „een goede tip“ mee te geven met de patiënt. De belangrijkste
„top tip“ bij bekkeninstabiliteit is het vermijden van belaste asymmetrische
gewoontehoudingen in zit of stand. Bv. tijdens stand meer steunen op het ene
been dan op het andere of romprotatie als werkhouding.
Besluit
Om een optimale stabiliteit te bereiken mogen spieren niet geïsoleerd
werken! Een geïntegreerde aanpak van het locale en globale spiersysteem is
dan ook noodzakelijk bij de behandeling van de bekkeninstabiliteit.
Afhankelijk van de onderzoeksresultaten wordt gestart met het behandelen van
het locale spier- systeem en/of het globale spiersysteem. Tot nu toe is er
geen wetenschappelijke evidentie voor-handen om de behandeling reeds te
beginnen met het locale spiersysteem.
Evenmin is de stabiliteit een kwestie van kracht! Laag-drempelige contractie
van van stabiliserende musculatuur en proprioceptieve input zijn dan ook
essentieel bij de behandeling van bekkeninstabiliteit (Less is more!!). |