| |
|
Schoudergordel
en schoudergewricht
De arm ontleent zijn grote beweeglijkheid door de
grote verscheidenheid van de elementen van de schoudergordel.
Functioneel worden hiertoe gerekend het sternum, de scapula, de
clavicula en de humerus. De enige verbinding met de thorax vormt de art.
sternoclavicularis. Om de ring benig te sluiten moeten de ribben
(thorax) in het systeem betrokken worden.
Indien men de schoudergordel functioneel meer in detail bekijkt dan
worden hiertoe de volgende elementen gerekend:
Art.
sternoclaviculare
Functioneel gezien rekent men het gewricht tot de
kogelgewrichten, dit vanwege het feit dat de clavicula in het gewricht
een circumductie uitvoert. Een en ander vindt plaats bij bewegingen van
de arm zoals elevatie (boven 60° abductie en 60° anteflexie).
De stabiliteit van het gewricht wordt bepaald door het lig. sternoclaviculare
dat direct over het gewrichtskapsel tussen sternum en clavicula verloopt
en zeer sterk is.
Daarnaast verloopt het lig. costoclaviculare vanaf de eerste rib naar de
clavicula en heeft eveneens een, zij het minder belangrijke,
stabiliserende functie.
Art.
acromioclaviculare
Het acromio-claviculair gewricht (AC-gewricht) wordt gevormd
door het acromion en het laterale uiteinde van de clavicula. Dit is een
plat gewricht, een zogenaamd glijgewricht. De ongeveer 1 cm lange
gewrichtsspleet is enigszins in het sagittale vlak gerangschikt en
onderhevig aan individuele schommelingen. Het verloop van het gewricht
hangt ook af van de vorm van het acromion.
Om deze sagittale as vinden glijbewegingen - ventrale-dorsale alsook
craniale en caudale translaties - plaats bij het abduceren en adduceren
van de arm. Er zijn geen spieren die het gewricht bewegen.
Articulatio humeri
Het glenohumerale gewricht maakt deel uit van een keten van
schoudergewrichten. Een normale schouderfunctie vereist een goed
samenspel van scapulothoracale-, acromioclaviculaire- en
sternoclaviculaire gewrichten met het glenohumerale gewricht.
Het glenohumerale gewricht is een discongruent kogelgewricht. De
humeruskop is sterk convex, de cavitas glenoidalis is nagenoeg vlak. Het
contactoppervlak van de cavitas bedraagt ongeveer een derde tot een
vierde deel van de humeruskop (vergelijk een basketbal op een
theeschoteltje). De humeruskop staat ongeveer 30° in retroversie.
De cavitas is bekleed met een ring van vezelig kraakbeen, het labrum
glenoidalis, welke de humeruskop een verdieping van de gewrichtskom en
een vergrote diameter geeft voor een betere vormaanpassing en een
vergroting van het contactoppervlak. Het labrum is stevig gefixeerd aan
de rand van de cavitas, aan de bovenzijde iets dunner en minder vast.
Bij exorotatie treedt er rek op van het anteriore labrum, bij
endorotatie van het posteriore labrum. Als gevolg van (sub)luxaties of
instabiliteit kunnen beschadigingen van het labrum optreden. De
gewrichtsvlakken, te weten de cavitas glenoidalis en het caput humeri
zijn bekleed met kraakbeen. Het kraakbeen op de cavitas loopt uit in een
ring die wordt beschreven als labrum glenoidale. Het kapsel is vrij dun
en los.
Capsulair en
ligamentair
Het gewricht en het kapsel worden versterkt door ligamenten.
Het ruime gewrichtskapsel laat een grote mate van beweeglijkheid toe,
doch verzorgen mede de stabiliteit van het schoudergewricht. Het is
gefixeerd aan het labrum glenoidalis en loopt naar distaal tot aan het
collum anatomicum humeri.
De passieve stabiliteit van het glenohumerale gewricht wordt dan ook in
belangrijke mate bepaald door genoemd gewrichtskapsel en de ligamenten,
die met het gewrichtskapsel nauw verweven zijn.
Belangrijke componenten hierbij zijn de rotatorenmanchet (mm. teres
minor, infraspinatus, supraspinatus en subscapularis) en de pees van het
caput longum van de biceps brachii. De dan toch nog geringe stabiliteit
van het schoudergewricht wordt geïllustreerd door de relatief vaak
voorkomende luxaties.
De ligamenta glenohumeralia zijn de belangrijkste ligamenten. Zij vormen
een Z-vormig complex, dat aan de voorzijde van het gewricht moeten
zorgen voor passieve stabiliteit. De ligamenten zijn lig. glenohumerale
superius, lig. glenohumerale medius en lig. glenohumerale inferior.
Een ander ligament die de stabiliteit mede ondersteunt is het lig.
coracohumerale.
Bij exorotatie van de arm worden alle drie de ligamenten gespannen. Het
lig. glenohumerale superius alleen komt op spanning bij adductie,
terwijl dit bij het lig. glenohumerale medium en inferius juist gebeurt
bij abductie. Dit verschil ontstaat doordat de ligamenten een
verschillende ligging hebben ten opzichte van de gewrichtsassen van het
glenohumeraal gewricht.
De belangrijkste functie van dit ligamentencomplex is dus het
stabiliseren van de humeruskop bij abductie, adductie en exorotatie. Bij
een beweging van de humeruskop naar voren, zoals bijvoorbeeld bij een
subluxatie of een luxatie, wordt dit ligamentencomplex beschadigd.
Daarnaast onderscheidt men het lig. coraco-humerale, dat als
belangrijkste functie heeft te voorkomen dat de humeruskop naar beneden
toe uit de gewrichtskom glijdt: anders zou het zwakke onderste deel van
het gewrichtskapsel overmatig belast worden. Het ligament verloopt in
twee delen, het ene van de processus coracoideus naar het tuberculum
majus, het andere naar het tuberculum minus van de humerus. Het ligament
wordt bij extensie van de arm op spanning gebracht.
Het lig. coraco-acromiale tenslotte vormt functioneel-anatomisch gezien
het ‘dak’ van het glenohumerale gewricht. Het ligt uitgespannen
tussen processus coracoideus en acromion. Het vormt de bovenste
begrenzing van de zogenaamde subacromiale ruimte. De humeruskop draait
bij het abduceren van de arm onder het lig. coraco-acromiale door. De
structuren tussen humeruskop en het ligament kunnen bij bepaalde
bewegingen ingeklemd raken. Dit kan de oorzaak zijn van het ontstaan van
letsels in dit gebied.
Het lig. glenohumerale medius en -inferius worden ook wel aangeduid met
het I.G.H.L.C. (infraglenohumerale ligamentencomplex).
Laesies en/of laxiteit van deze structuren zullen
de stabiliserende functie nadelig beïnvloeden.
Bursae
Bij het schoudergewricht kennen we een aantal belangrijke
slijmbeurzen. Dit zijn de bursa subdeltoidea en de bursa subacromialis.
Overigens is het zo dat deze bursae meestal met elkaar in verbinding
staan, ze vormen dan de zgn. ‘subacromiale ruimte’. Door de ligging
hiervan tussen het ‘dak’ van de schouder (acromion, lig.
coraco-acromiale, processus coracoideus en deltoideus) en de humeruskop,
maken zij een vloeiende nagenoeg wrijvingloze beweging van de humeruskop
onder dit ‘dak’ door mogelijk.
Bewegingen in het
glenohumerale gewricht
-
De anteflexie/retroflexie vindt plaats om een
transversale as. De anteflexie bestaat uit drie
bewegingstrajecten. De eerste fase van 0° tot 60° gebeurt in het
glenohumerale gewricht. De tweede fase van 60° tot 120° komt tot
stand door laterorotatie en vooroverkanteling van de scapula. De
laatste fase van 120° tot 180° wordt bewerkstelligd door flexie
van de lumbale wervelkolom en rotatie van de afzonderlijke
wervels. De retroflexie is ± 45°.
-
De adductie/abductie geschiedt om een
sagittale as. De adductie wordt uitgevoerd met een enigszins
geflecteerde arm of vanuit 90° anteflexie en deze laatste wordt
ook wel horizontaal adductie genoemd. De bewegingsuitslag is ± 45°.
Evenals bij de anteflexie bestaat ook de bewegingsuitslag van de abductie
(elevatie) uit drie fasen.
In de eerste fase loopt de humerus bij ongeveer 90° vast tegen
het “acromiondak” en vindt de aansluitende beweging 90° tot
150° alleen plaats door beweging (laterorotatie) van de scapula.
De derde bewegingsfase van 150° tot 180° vindt plaats door
flexie van de lumbale wervelkolom en rotatie van de afzonderlijke
wervels.
-
De endo-/exorotatie gebeurt om een
longitudinale-as. Exorotatie is mogelijk over een traject van
± 45° . Bij de endorotatie wordt op ca. 80° in zijn
beweging beperkt door de romp. Maar in combinatie met retroflexie
(achter de rug) bedraagt de endorotatie ± 95°.
Bewegingen van de scapula worden gevolgd door
bewegingen van de clavicula, waarbij deze als hefboom voor de scapula
fungeert.
De bewegingen van de schoudergordel kunnen explosief (serveren bij
tennis), dynamisch (zwemmen) en statisch (turnen) zijn.
De rotatorenmanchet (cuff) geven een functionele
stabiliteit aan het glenohumerale gewricht. Aan de ventrale zijde trekt
de subscapularis de humeruskop tegen het glenoid en aan de dorsale zijde
zijn dit de supraspinatus, infraspinatus en teres minor.
Letsels
Beschadigingen tengevolge van werpbewegingen spelen een steeds
grotere rol in de sport. Sporten waarbij beschadigingen als gevolg van
werpbewegingen veel kunnen optreden zijn sporten waarbij met de bovenste
extremiteit veel intensieve bewegingen boven het hoofd gemaakt worden.
-
explosief, zoals bij de werpbeweging bij
honkbal, de service bij tennis en de speerworp;
-
dynamisch, vele malen dezelfde langzamer
uitgevoerde beweging, zoals bij zwemmers;
-
statisch, zoals bij verschillende
turnonderdelen.
De techniek van het werpen geschiedt drie stadia,
t.w. de achterzwaaifase, de acceleratiefase en de doorzwaaifase.
-
Tijdens de achterzwaaifase is de
schouder overstrekt, geabduceerd en geëxoroteerd. De elleboog is
ongeveer 45° gebogen. In deze fase zijn vooral de voorste delen
van de schoudergordel belast en staan onder spanning.
Beschadigingen treden dan ook voornamelijk op in het gebied van
het voorste gewrichtskapsel alsook van de pees van het caput
longum van de biceps. De flexoren en extensoren zijn gecontraheerd
en ook hier kan het kleine overbelastingsblessures komen.
Bij de overgang van deze fase naar de acceleratiefase
geeft dit een enorme spanning in de coracobrachialis, pectoralis major, deltoideus en de biceps en triceps als deze krachtig contraheren.
-
De acceleratiefase duurt vanaf het einde van de achterzwaaifase tot aan het loslaten van de
bal (speer, e.a.) gebeurt in twee fasen. Tijdens de eerste fase
wordt de elleboog naar voren gebracht, terwijl de onderarm en de
hand achterblijven. Hierdoor werkt er op het ellebooggewricht een
naar lateraal gerichte kracht, een zogenaamde valgusstress met rek
aan de mediale zijde en druk aan de laterale zijde. Als gevolg
hiervan kunnen blessures optreden. In de tweede fase wordt de
schouder zeer snel geëndoroteerd, waarbij de onderarm en de hand
explosief naar voren gebracht worden. Dit kan leiden tot een
verhoogde kans van blessures van de endorotatoren zoals m.
latissimus dorsi en pectoralis major. In extreme gevallen kunnen
zelfs spiraalvormige fracturen in de humerus optreden.
-
De laatste fase van de werpbeweging (doorzwaaifase)
bestaat uit continuerende
voorwaartse beweging van de endorotatie en de horizontaal flexie,
nadat de bal de hand heeft verlaten. Tijdens deze fase zijn de
exorotatoren excentrisch actief.
Door de endorotatoren wordt veel meer kracht
geleverd dan door de exorotatoren (voorbereidingsfase - concentrisch,
doorzwaaifase - excentrisch).
Training van de exorotatoren moet niet veronachtzaamd worden, daar er
dan een onbalans gaat ontstaan tussen de endo- en exorotatoren met alle
problematiek van dien (tennisshoulder b.v.).
Weke delenletsels van spieren, banden en
gewrichtskapsel in de schoudergordelregio komen veelvuldig voor.
Benig defect
Een benig defect van de humeruskop wordt vaak geassocieerd
met glenohumerale instabiliteit. Bij anterieure instabiliteit wordt het
defect soms in de posterolaterale gedeelte gezien, dit wordt een Hill
Sachs lesie genoemd.
Zoals gezegd vergroot het labrum de diepte van het glenoid, het wordt
zelfs verdubbeld. Loslating van het labrum verminderd de concaviteit.
Superior is het labrum losjes aan het glenoid vastgemaakt en verschaft
de origo voor de lange kop van de bicepspees en het bovenste en
middelste deel van het glenohumerale ligament. Hoewel het bovenste deel
van het labrum. dus mobiel is, is het inferiore gedeelte stevig
bevestigd aan het glenoid, als een verlenging van het gewrichtskraakbeen
en als aanhechtingsplaats voor het lig. glenohumerale inferior.
Mobiliteit van het labrum is in dit geval een sterke indicator voor
pathologie.
Beschadiging van het labrum kan verlies van de negatieve druk geven en
dus instabiliteit. Bij onderzoek hiernaar werd het kapsel intact gelaten
en blijkt het labrum dus een onafhankelijke rol te spelen. Labrumlaesies
zijn een primaire bron van schouderpijn, met name in bovenhandse- en
werpsporters.
Labrumscheuren kunnen ontstaan door de volgende
mechanismen:
-
ontwikkeling van excessieve beweeglijkheid
richting exorotatie en daardoor stress op lig. glenohumerale
inferior (volleybal, tennis, honkbal, zwemmen);
-
val op gestrekte arm;
plotselinge felle bicepscontractie (avulsieruptuur
van het labrum pars anterior superior);
-
herhaalde excentrische contractie van de
biceps (deceleratieworp degeneratie);
-
krachtige inklemming tussen kop en rand
glenoid;
-
herhaalde bovenhandse activiteit in
aanwezigheid vergrote translatie (tractie bicepspees);
-
SLAP-laesies (Superior Labrum
Anterior Posterior-laesie) a.g.v. compressie b.v. bij
val op gestrekte arm;
-
intern impingement van RC-inserties; tegen
posterior glenoid/labrum (extreme exorotatie).
Bij de stabiele schouder zit de laesie van het
labrum vaak superior of anterior op midglenoid niveau, terwijl bij
instabiele schouders vaker het anterior/inferior labrum is aangedaan (Bankart
laesie).
Als we kijken naar de ligamenten is het driedelige glenohumerale
ligament verweven met het kapsel. Deze komen onder spanning te staan als
het gewricht in extreme standen wordt geplaatst.
Bij instabiliteit van het multidirectionele type is de oorzaak
vaak een toegenomen capsulaire laxiteit. Het geleidelijk uitrekken van
het kapsel kan gepaard gaan met steeds terugkerende rnicrotraumata,
welke een bepalende factor kunnen spelen bij zowel anteriore als
posteriore subluxatie als in multidirectionele instabiliteit.
Vermoedelijk hebben de RC-spieren (Rotatorcuf) een complementaire
functie in de spanning van het capsuloligamentaire systeem. Contractie
van de biceps en de RC verhogen de compressie van de humeruskop op het
glenoid.
De basis voor de conservatieve behandeling:
-
door de spieren te trainen vergroten we de
intrinsieke stabiliteit. Ook onderscheiden we het ligamentum
coracohumerale: dit beperkt de flexie/extensie en geeft
stabiliteit bij rotaties met een transformatie naar het lig.
glenohumerale anterior bij exorotatie en naar het posterior kapsel
bij endorotatie. Het posterior kapsel komt op rek bij flexie,
adductie en endorotatie, dus bij de doorzwaaifase (’follow
through’) van een worp. De structuren die bij trauma’s het
meest onder spanning komen te staan, zullen het eerst en het meest
beschadigd raken.
-
Stabilisatie door de musculatuur is in sport
en functionele situaties de belangrijkste factor ter bescherming
van het gewricht. De belangrijkste actieve stabilisatoren van het
glenohumerale gewricht zijn de rotator-cuff spieren. Hoewel het
gewicht van het gewricht erg meevalt, moeten de spieren grote
krachten leveren om bewegingen mogelijk te maken. Dit komt door
hun ongunstig aangrijpingspunt en een kleine krachtarm.
Capsulair patroon
Het gaat hier om een voor een gewricht typische bewegingsbeperking.
Hierbij is de verhouding tussen de bij de beweging betrokken componenten
uiterst belangrijk. Een capsulair patroon duidt op een volledige
irritatie van het gewrichtskapsel. Al naar gelang het klachtenpatroon
kan het capsulair patroon nog in het beginstadium zijn. De sporter
(cliënt) bespeurt pijn en een lichte bewegingsbeperking als eerste aan
het einde van de beweging. De sportmasseur (onderzoeker) merkt bij het
passieve bewegingsonderzoek een verandering in de eindstand van het
gewricht. Wordt de prikkeling sterker dan ontwikkelt zich ook een
sterkere bewegingsbeperking, de pijn staat dan echter op de voorop. Een
capsulair patroon wijst op een bewegingsbeperking volgens een typisch
patroon.
Voor het schoudergewricht is dit: exorotatie (III),
abductie (II), endorotatie (I)
'Painful arc'
Een 'painful arc' ontstaat wanneer in het verloop van een actieve
beweging een aangedane structuur eerst gecomprimeerd wordt en vervolgens
weer vrij komt. In de praktijk komt deze aandoening regelmatig voor. Een
bekend voorbeeld is het abduceren van de arm bij een aantal aandoeningen
van de schoudergordel.
Een subacromiale painful arc treedt op tussen de 60° en 120° en is het
gevolg van een kortdurende compressie van één of meerdere structuren
die gelegen zijn tussen de acromion en het schouderdak of schouderdak en
humeruskop.
Als het spieren betreft dan zijn dit:
proximale deel insertie subscapularis, pees supraspinatus, pees
infraspinatus en pees caput longum biceps.
Andere structuren zijn: bursa subdeltoidea, subacromialis, AC-gewricht,
acromion, lig. coraco-acromiale, tuberculum minus, tuberculum majus.
Een acromioclaviculare painful arc treedt op tussen 160° en 180°.
Symptomen
-
Pijn
bij beweging in het schoudergewricht, in het bijzonder bij
exorotatie en bij het bewegen van de arm naar abductie-anteflexie
onder een hoek van 80° tot 120° t.o.v. het lichaam.
-
Pijn
bij druk op de anteriore superiore zijde van de schoudergordel.
-
Minder
kracht in abductie-anteflexie beweging bij een hoek van 80° tot
120° t.o.v. het lichaam.
De sporter moet:
-
het
sporten wat opschorten, maar wel een oefenprogramma uitvoeren,
waar bewegingen in het schoudergewricht worden uitgevoerd binnen
de pijngrens. Hij moet hier net zo lang mee doorgaan, dat geen
pijn meer bij belasting ontstaat.
-
lokaal
warmte applicatie uitvoeren.
-
indien
de pijn aanhoudt en erger wordt een arts consulteren.
Revalidatieprincipes
-
pijnvrij
oefenen – zeer belangrijk bij de schouder;
-
in
het scapulaire vlak – meer voor dan achter het lichaam; korte
lastarmen;
-
deceleratiecontrole
– oefeningen op de terugweg langzaam uitvoeren – excentrisch;
-
stabiele
scapulae – wel bewegen, maar een zo goed mogelijke ligging op
het lichaam;
-
naar
sportspecifiek toewerken – goede timing bewerkstelligen,
werk/sportspecifiek – uiteindelijk plyometrie;
-
Drills
– propriocepsis en stabiliteit - ± 100 x korte bewegingen
achter elkaar.
Oefeningen voor de schoudergordel
De volgorde waarin spieren geoefend moeten worden:
- Spieren die het glenohumerale gewricht stabiliseren. Dit zijn
rotatorcuffspieren - supraspinatus - infraspinatus - teres
minor - subscapularis.
- Spieren die de scapula stabiliseren: trapezius - rhomboideus -
levator scapulae - serratus anterior.
- Spieren die het glenohumerale gewricht positioneren: triceps -
biceps - deltoideus.
- Overige spieren m.b.t. het glenohumerale gewricht: m. latissimus -
pectoralis major
1 +
2
- 1e – 4e week
1 + 2 +
3
- 5e – 8e week
1+ 2 +3 + 4
- 6e – 12e week
-
Tweemaal
per week op sportcentrum + dagelijks thuis (pas ze het bij jou
goed kunnen).
-
Pijnvrij
oefenen – als ze teveel doen gaat het meestal mis –.Proberen
over te brengen. In de loop van de week hoeken opbouwen –.
-
Onderin
beginnen tot uiteindelijk helemaal bovenin.
Volgorde
-
Eerst
gesloten keten – approximatie – veilig gevoel, axiale
belasting;
-
Co-contractie
– alle spieren gelijktijdig aanspannen rondom het
gewricht.
-
Compressie
vergroot de stabiliteit.
Schouderblessures
Blessures
ten gevolge van werpbewegingen nemen in de sport steeds meer toe, dit
betreft zowel de amateur- alsook de professionele sport, kinderen en
volwassenen. Sporten, waarbij genoemde blessures het meest optreden zijn
tennis, speerwerpen, handbal, sporten waarbij de arm een uithaalbeweging
boven het hoofd maakt, zoals zwemmen en volleybal.
De werpbeweging kan in drie stadia ingedeeld
worden: de voorbereidingsfase (uithaalbeweging), de acceleratiefase
(versnellingsfase) en doorzwaaifase ('follow through'). Blessures bij
werpbewegingen betreffen hoofdzakelijk het schouder- en
ellebooggewricht.
Bij het uithalen is de schouder overstrekt, geabduceerd en
geëxoroteerd, het ellebooggewricht is meestal ongeveer 45° gebogen. In
deze fase worden vooral de structuren aan de ventrale zijde belast en
staan onder spanning. Blessures treden vooral op in het gebied van het
anterieure gewrichtskapsel alsook van de pees van de m. biceps caput
longum. De flexoren en extensoren in het ellebooggebied zijn
gecontraheerd, hier kunnen ook gemakkelijk overbelastingsblessures
ontstaan.
De tweede fase begint op het einde van de
uithaalfase tot op het moment dat de bal loskomt, deze fase verloopt in
2 delen.
In het eerste deel worden de schouder en elleboog naar voren gebracht,
waarbij de onderarm en hand terug blijven. Hierbij ontstaat in het
ellebooggewricht een naar lateraal gerichte kracht, een zogenaamde 'valgusstress'
met een rek aan de mediale- en een druk aan de laterale zijde. Als
gevolg hiervan kunnen blessures optreden.
In het tweede deel wordt de schouder explosief geëndoroteerd, waarbij
de onderarm en de hand razend snel naar voren worden gebracht. Hierbij
kunnen ook blessures ontstaan van de endorotatoren, hiertoe worden ook
de m. pectoralis major en m. latissumus gerekend.
De laatste fase van de werpbeweging, waarbij de bal
loskomt, bestaat uit een versterkte pronatie van de onderarm. Hierbij
spelen rotatie en translatie aan de laterale zijde en compressiekrachten
aan de dorsale zijde van de elleboog een belangrijke rol.
Blessures van de weke delen zoals spieren, ligamenten en gewrichtskapsel
van de schoudergordel treft men vaak bij sporters aan. De belangrijkste
blessures die ontstaan zijn: ontsteking van bicepspees, , subluxatie van
de pees van de m. biceps caput longum, chronische peesontstekingen,
ontsteking van bursa subacromialis alsook blessures van de
rotatorcufspieren als gevolg van inklemming (impingement).
Overbelastingsletsels van de schouder bij
racketsporten worden voornamelijk veroorzaakt door letsel van de
rotatorenmanchet (schouderspieren). Het impingementsyndroom (inklemmingssyndroom
of passagestoornis van de schouder) is een pijnlijke functiestoornis van
het schoudergewricht die ontstaat doordat de pezen van de
rotatorenmanchet, bestaande uit de m. infraspinatus en supraspinatus en
subscapularis, bekneld raken tussen de kop van de bovenarm en de
onderzijde van het schouderblad (acromion) en het ligamentum
coraco-acromiale. Bij het zijwaarts heffen van de arm is sprake van een
zogenaamde pijnboog. Dit pijnlijke traject is slechts in een gedeelte
van het bewegingstraject aanwezig. De peesstructuren kunnen in meerdere
of mindere mate zijn aangedaan. Neer suggereerde dat er sprake is van
herhaalde microtraumata van de rotatorenmanchet. Aan de hand van
obductiepreparaten constateerde hij variaties in helling en vorm van het
acromion en botrichels bij de aanhechting van het coraco-acromiale
ligament aan het acromion, alsmede ter plaatse van het gewricht tussen
sleutelbeen en schouderblad (AC-gewricht). Drie morfologische
acromiontypen zijn door een aantal wetenschappers beschreven, waarbij
type 1 aan de onderzijde vlak is, type 2 licht concaaf (hol), terwijl
type 3 aan de voorzijde een haakvorm vertoont. Dit laatste type wordt
vaak gevonden bij patiënten met een impingementsyndroom en een letsel
van de rotatorenmanchet.
De pees van de m. supraspinatus en infraspinatus juist mediaal van de
aanhechting aan de kop van de bovenarm is bijzonder vaatarm (critische
zône), zodat herhaalde microtraumata hier leiden tot degeneratieve
veranderingen. Aan de hand van pathologische anatomie en klinische
symptomen kunnen we drie stadia onderscheiden: - oedeemvorming en
bloeding in de rotatorenmanchet, - fibrosering (verbindweefseling) en
verdikking van de rotatorenmanchet met het ontstaan van eventuele
kalkdepots, - incomplete/complete scheur van de rotatorenmanchet.
Deze indeling suggereert een geleidelijke overgang
van oedeem naar fibrosering, verkalking en degeneratieve spierscheur.
Toch komt een scheur natuurlijk ook onder de veertig jaar voor. Voor de
praktijk moet bij een pijnboog ook rekening worden gehouden met de
slijmbeurs die hier aanwezig is. Bij een ontsteking van de
rotatorenmanchet is deze slijmbeurs ontstoken en verdikt. Een
slijmbeursontsteking zonder peesontsteking zou zich van een
peesontsteking onderscheiden door negatieve weerstandstesten uitgevoerd
onder tractie (Jonquière, 1990). Bij oudere spelers kunnen scheuren in
de rotatorenmanchet voorkomen. Deze zijn soms vrijwel asymptomatisch.
Uit obductie-onderzoek is gebleken dat een rotatorenmanchetscheur bij
bijna eenderde van de geobduceerden boven de vijftig jaar voorkwam. De
gebruikelijke indeling is die van incomplete scheur en complete scheur.
De klachten bij een inklemmingssyndroom (passagestoornis) beginnen
meestal geleidelijk. Soms wordt een provocerend
moment aangegeven, meestal zijn er klachten bij bovenhands serveren en
smashen. Op basis van fysische diagnostiek kan in het algemeen een
onderscheid worden gemaakt in peesontsteking, slijmbeursontsteking, of
rotatorenmanchetscheur (
Bij een spierscheur is de kracht bij het uitvoeren
van een van de weerstandstesten opgeheven. Röntgenologisch kan sprake
zijn van verkalking en haakvorming aan de onderzijde van het acromion en
botrichelvorming aan de onderzijde van het AC-gewricht. Bij een
spierscheur is sprake van versmalling van de ruimte tussen de kop van de
bovenarm en het schouderblad: een afstand van minder dan 5 mm is sterk
verdacht voor een spierscheur. Als aanvullend röntgenonderzoek komen
bij verdenking op spierscheuren in aanmerking contrastonderzoek,
echografie en eventueel MRI. Ter bevestiging van de diagnose wordt een
injectie met een lokale verdoving in de slijmbeurs; verricht. Bij
verdwijnen van de pijnboog wijst dit op een slijmbeursontsteking. Echter
door de nauwe anatomische relatie van de slijmbeurs en de spieren van de
rotatorenmanchet is het verdovingsmiddel op beide werkzaam. Of de
werking van corticosteroïden zich bij infiltratie in de slijmbeurs
eveneens tot in de rotatorenmanchet uitstrekt is minder zeker. indien er
röntgenologisch sprake is van degeneratieve afwijkingen in het
AC-gewricht en het klinisch niet zeker is of de AC-problematiek deel
uitmaakt van het inklemmingssyndroom, wordt ook het AC-gewricht met het
lokale verdovingsmiddel geïnfiltreerd.
Wat betreft advisering ten aanzien van sport en
werk dient de patiënt in het beginstadium geen bewegingen boven
schouderniveau te maken, dat wil zeggen geen bovenhandse service- en
smashbewegingen. Voor werkzaamheden in het dagelijks leven moet worden
geadviseerd werkzaamheden boven schouderniveau uit te voeren als
anteflexiebeweging (i.p.v. abductie) met geëxoroteerde arm.
Werkzaamheden voor het lichaam moeten worden uitgevoerd met de armen
geadduceerd (tegen het lichaam). De 'flying elbow' positie moet worden
voorkomen. Als er sprake is van een reactieve slijmbeursontsteking wordt
deze behandeld met ontstekingsremmers en lokale ijstoepassing. In het
beginstadium van een pees/spierontsteking met een verhoogde spiertonus
en schouderhoogstand bestaat de behandeling uit massage, rekoefeningen,
isometrische oefentherapie en plaatselijke warmtetoepassing. In een
gevorderd stadium bestaat de behandeling uit een injectie in de
slijmbeurs met een langwerkend corticosteroïdpreparaat. De injectie kan
met een interval van zes weken zo nodig enkele keren herhaald worden.
Indien de klachten blijven bestaan vindt injectie in de cuff plaats ter
hoogte van het maximale pijnpunt. Bij deze laatste injectie moet wel
bedacht worden dat er een lokaal corticosteroïddepot wordt gelegd in de
toch al slecht doorbloede pees. Het risico op het ontstaan van een
spierscheur zal daarmee vergroot worden. indien sprake is van een
peesontsteking met kalkneerslag kan de kalk onder doorlichting worden
aangeprikt, waarbij het soms lukt om de kalk op te lossen en uit te
spoelen. Een op de röntgenfoto zichtbaar kalkdepot is, in tegenstelling
tot het omringende spierweefsel, hard en niet vervormbaar en geeft
daarmee een mechanische blokkade. Door een injectie, maar ook soms
spontaan, kan de kalkmassa vervloeien waarbij een heftige chemische
ontstekingsreactie ontstaat met roodheid, zwelling, heftige pijn en
koorts. Het klinische beeld doet denken aan een bacteriële ontsteking.
Bij aanhoudende klachten - ondanks zes maanden conservatieve therapie -
is een operatieve behandeling geïndiceerd. Deze ingreep kan
arthroscopisch worden verricht. De ontstoken slijmbeurs wordt
verwijderd, terwijl het voorste onderste derde deel van het
schouderbladuitsteeksel (acromion) wordt weggehaald, evenals het
ligamentum coraco-acromiaIe. Paulos et al. zagen bij 90% van de 120
arthroscopische decompressies een goed resultaat. Nederlandse resultaten
sluiten hierbij aan. Een volledige ruptuur van de spieren van de
rotatorenmanchet, die gepaard gaat met krachtvermindering en
functiebeperking, is bij een squasher onder de veertig jaar een
indicatie voor operatief herstel. Ook andere zeldzamere aandoeningen
komen voor, zoals zenuwbeknelling van de n. thoracicus longus met uitval
van de m. serratus anterior.
SPIERPEESLETSELS SCHOUDERGORDELSpierpeesletsels van de schoudergordel kunnen acuut ontstaan
ten gevolge van een éénmalige piekbelasting (met in het ergste geval een
ruptuur van de rotatorenmanchet (rotatorcuff) of chronisch
ontstaan ten gevolge van het voortdurend herhalen van een sportspecifiek
bewegingspatroon, waardoor op den duur overbelasting (surménage)
optreedt. Aangezien bij vrijwel alle takken van sport de musculatuur van
de schoudergordel intensief gebruikt wordt, is het niet meer dan logisch
dat hierbij regelmatig letsel optreedt. Vanuit de functionele anatomie
zijn er drie belangrijke oorzaken voor spierpeesletsels van de
schoudergordel aan te geven.
In de eerste plaats zijn door de specifieke bouw van de
schoudergordel bewegingen van de arm in alle richtingen mogelijk. De
stabiliteit moet hierbij niet zozeer door de ligamenten maar vooral door
de spieren geleverd worden, waarbij met name de spieren van de
rotatorenmanchet een essentiële rol vervullen voor de stabiliteit van
het glenohumeraal gewricht: het is dus te verwachten dat vooral
spierpeesletsels van de rotatorenmanchet zullen kunnen optreden.
In de tweede plaats zijn de anatomische verhoudingen in het
schoudergebied tamelijk ongunstig voor de rotatorenmanchet . Bij het
zijwaarts heffen van de arm moet de humeruskop met de pezen van de
rotatorenmanchet onder het acromion en het lig. coraco-acromiale
door glijden.
De ruimte
tussen het acromion en de humeruskop - de subacromiale ruimte -
is daarbij uiterst beperkt. Weliswaar is deze ruimte bekleed met
losmazig bindweefsel om een beter glijden van humeruskop (met
rotatorcuff-pezen) onder het acromion en het ligament coraco-acromiale
mogelijk te maken, maar er treedt toch gemakkelijk inklemming
(`impingement') op en daardoor irritatie van de hier verlopende
structuren.
Dit kan leiden tot een tendopathie van de rotatorcuff of tot een
ontstekingsreactie van de bindweefselbekleding van de subacromiale
ruimte. Deze ruimte wordt, overigens ten onrechte, meestal de
bursa subacromialis genoemd en bij een ontstekingsreactie spreekt
men dan van een acute of chronische bursitis
subacromialis.
Ten slotte kan nog de pees van de lange kop van de m. biceps, die hier
tussen het tuberculum majus en minus en onder de rotatorencuff door in
een kapselplooi verloopt, geïrriteerd raken en een tendopathie gaan
vertonen.
In de derde plaats blijkt de bloedvoorziening van de
rotatorencuff een belangrijke rol te spelen. Deze bloedvoorziening
geschiedt door twee slagaders: één loopt met de spierbuik mee naar de
pees toe, de andere loopt vanaf het bot naar de pees toe en de kleinste
vertakkingen van beide slagaders staan met elkaar in contact op circa
1-1,5 cm van de peesaanhechting. Deze zone wordt de `kritische
zone' van de pees genoemd.
Uit onderzoek (o.a. van Rathbun en Macnab) is nu
gebleken, dat deze kritische zone goed doorbloed is wanneer de arm zich
in abductiestand bevindt, maar volledig van
bloed verstoken is wanneer de arm langs het lichaam hangt.
Dit verschijnsel wordt `wringing-out'-fenomeen genoemd en
het betekent dus, dat de normale, rechtopstaande houding van de mens tot
gevolg heeft dat de bloedvoorziening van de pezen van de rotatorencuff
minimaal is en dus op den duur, in de loop van het leven, degeneratieve
veranderingen zal induceren.
Dit fenomeen treedt het meest op de voorgrond in de pees
van de m. supraspinatus, veel minder in die van de m. infraspinatus en
de m. subscapularis; de meeste afwijkingen in de rotatorencuff worden
dan ook gevonden in de pees van de m. supraspinatus.
Uit recentelijk gepubliceerd onderzoek is gebleken, dat een dergelijk
`wringing-out'-fenomeen ook optreedt in de pees van de lange kop van de
biceps en wel in het gedeelte dat onder de rotatorencuff over de
humeruskop in een kapselplooi verloopt naar de rand van de cavitas
glenoidalis. Ten slotte moet nog een tweetal symptomen
worden beschreven, die kenmerkend zijn voor letsels van
de rotatorencuff.
Het eerste typische symptoom is dat van de 'referred pain'. Dit
houdt in, dat de pijn meestal niet gevoeld wordt op de plaats van de
anatomische laesie, maar in een op enige afstand gelegen projectiezone.
Voor de spierpeesletsels van de rotatorencuff (en in
feite ook voor letsels van het kapselbandsysteem van het glenohumerale
gewricht) bevindt deze zone van `referred pain' zich in het gebied van
de m. deltoideus met vaak uitstraling in de gehele bovenarm, soms zelfs
tot de hand toe.
Palpatie van deze zone
provoceert wel enige pijn, maar dit wordt door de patiënt niet ervaren
als het volledige pijnsyndroom dat hij bij belasting van zijn schouder
ondervindt. Dit volledige
pijnsyndroom wordt wel geprovoceerd, door de gekwetste structuur te
belasten (door actiefpassief onderzoek en/of onderzoek tegen weerstand)
of direct te palperen.
Het tweede
typische symptoom is dat van de `painful arc'. Dit houdt in, dat er pijn
ontstaat op enig moment bij het zijwaarts heffen van de arm, die weer
verdwijnt als de arm verder wordt geheven.
Het traject van de painful arc is meestal
80°-120° abductie en is een gevolg van het feit, dat er op dat moment
inklemming plaatsvindt in de subacromiale ruimte van de daar verlopende
structuren tussen de kop van de humerus en het acromion (met het lig.
coraco-acromialis).
Achtereenvolgens zullen de
acute spierpeesletsels in het schoudergebied worden
besproken, gevolgd door de chronische spierpeesletsels; daarna de
afwijkingen van de subacromiale ruimte en ten slotte het ziektebeeld dat
bekend staat als 'frozen shoulder'.
Acute ruptuur van de rotatorenmanchet
Een acute ruptuur van de rotatorencuff komt
betrekkelijk zelden voor bij sportbeoefening. De oorzaak is een acute
piekbelasting (val op de uitgestrekte arm, explosieve slag- of
werpbeweging) van de rotatorencuff.
Vrijwel altijd betreft het de pees van de m.
supraspinatus, vrijwel altijd optredend ter plaatse van de `kritische
zone' op basis van degeneratieve veranderingen in het peesweefsel door
de zeer matige bloedvoorziening en recidiverende irritatie in de sub
acromiale ruimte; het betreft dus meestal de wat oudere sporter.
Bij jongere sportbeoefenaars wordt nog wel eens een acute ruptuur gezien
in aansluiting op herhaalde injecties met corticosteroïden, die op zich
degressieve veranderingen in de pees veroorzaken met een vermindering
van de belastbaarheid van de pees als gevolg. Wordt de pees dan toch
zwaar belast door bijv. intensieve sportbeoefening, dan kan rupturering
het gevolg zijn.
De verschijnselen bij een acute ruptuur van de supraspinatuspees bestaan
uit acute pijn, uitstralend in de bovenarm en tevens uit pijn bij
bewegingen van de arm.
Bij onderzoek bestaat heftige drukpin op de pees c.q. peesaanhechting
ter plaatse van het tuberculum majus; dit kan het best gepalpeerd worden
met de arm in maximale endorotatie, omdat het tuberculum majus in deze
stand onder het acromion uit naar voren draait en zich optimaal
presenteert aan de voorkant van de schouder.
Bij een partiële ruptuur treedt een `painful arc' op bij actieve
abductie van de arm tussen 80° en 120° ; daarnaast is abductie tegen
weerstand over het gehele traject pijnlijk, met name aan het begin van
de abductie. Bij een totale ruptuur is de actieve abductie van de arm
sterk verminderd; er kan min of meer aangetoond worden met de 'droparmtest'
dat er sprake is van een ruptuur.
Acute ruptuur van de bicepspees
(lange kop)
De pees van de lange kop (caput longum) van de m.biceps ontspringt
aan de bovenrand van de cavitas glenoidalis, verloopt in een kapselplooi
over de humeruskop naar voren en komt tussen de peesaanhechting van de m.
subscapularis en die van de m. supraspinatus tevoorschijn. Vervolgens
verloopt deze pees op de bovenarm in de groeve tussen het tuberculum
minus en majus (sulcus intertubercularis) en wordt hier door het lig.
transversum op z'n plaats gehouden en gaat dan over in de
spierbuik van de m. biceps.
De korte kop (caput brevis)
van de m.biceps ontspringt aan de proc. coracoideus van het schouderblad
en loopt onder de humeruskop langs naar de bovenarm en gaat over in de
spierbuik van de m. biceps.
Acute rupturering van de m.
biceps betreft vrijwel altijd de lange kop van deze spier. Dit letsel
kan ontstaan door passieve rekking van de maximaal aangespannen spier (bijv.
bij gewichtheffen door het tillen van een te zwaar gewicht) of door het
plotseling blokkeren van de arm bij een maximale samentrekking van de
spier.
Bevorderende factoren voor een ruptuur zijn
zware belasting op oudere leeftijd wegens de mogelijk opgetreden
degeneratieve veranderingen door het `wringing-out'-fenomeen, het zwaar
belasten na een periode van inactiviteit of het ondergaan van locale
injecties met corticosteroïden in de pees.
Bij een partiële ruptuur van
de bicepspees (lange kop) zijn de verschijnselen een acute, heftige pijn
ter plaatse van de voorkant van de bovenarm.
Bij onderzoek
bestaat er pijn bij aanspannen van de m. biceps tegen
weerstand en, specifiek voor de lange kop
van de biceps, pijn aan de voorkant van de schouder bij maximale
passieve strekking van de arm.
De behandeling
verloopt volgens hetzelfde principe als beschreven voor
de pees van de m. supraspinalus.
En totale
ruptuur van de bicepspees (lange kop) ontstaat door
dezelfde mechanismen als beschreven voor de partiële ruptuur. De
verschijnselen hierbij zijn een pijnlijke `snap', gevolgd
door een abnormaal opbollen van de spierbuik van de m. biceps.
Bij onderzoek
valt de pijn
meestal wel mee en de abnormale contour van de
spierbuik van de m. biceps bij actief aanspannen en het aanspannen tegen
weerstand is dan ook het meest typische kenmerk. De eerste
behandeling bestaat uiteraard uit ijsapplicatie en een
steunende bandage. Wat de verdere behandeling
betreft kan bij oudere mensen volstaan worden met een afwachtend beleid.
Alleen bij jongere mensen (en zeker als zij aan topsport doen), wordt
een operatief herstel nagestreefd. Hierbij wordt de afgescheurde pees
gehecht aan de korte kop van de m. biceps of aan de processus
coracoideus, terwijl het in de kapselplooi verlopende gedeelte wordt
verwijderd.
Het functionele herstel is over het algemeen bevredigend en belemmert
eigenlijk nooit het bedrijven van (top)sportbeoefening. Wel blijft
uiteraard een verminderde kracht van de m. biceps bestaan. Een aparte
vermelding moet nog gemaakt worden voor een ruptuur van het lig.
transversum. In een aantal gevallen kan een recidiverende
(sub)luxatie van de bicepspees optreden uit de sulcus door het
verscheurd zijn van het lig. transversum dat de bicepspees in de sulcus
moet fixeren.
Deze verscheuring ontstaat tijdens een geforceerde exorotatie van de arm
in abductiestand, en gaat meestal gepaard met een partiële ruptuur van
de rotatorencuff.
De verschijnselen bestaan uit een zeer
drukgevoelig gebied over de sulcus en een pijnlijke `snap' tijdens het
uitvoeren van de zgn. Yergason-test. Hierbij wordt de aangespannen arm
van de onderzochte naar beneden en naar buiten gedraaid; bij subluxatie
zal dan een pijnlijke `snap' optreden.
Chronische letsels van de rotatorencuff
Chronische pijnklachten rondom het schoudergewricht werden vroeger
aangeduid met de term Periarthritis Humero Scapularis of PHS. Hiermee
wilde men alle pijnklachten in het schoudergebied onder één noemer wilde
brengen en als oorzaak zag een ontsteking van de weke delen rondom het
schoudergewricht. Vooral de laatste jaren is
duidelijk geworden, dat deze algemene naamgeving toch wel enige
nuancering behoeft.
In een merendeel van de gevallen van langer bestaande
pijnklachten blijkt het te gaan om een chronisch spierpeesletsel
(tendopathie) van één van de spieren c.q. pezen van de rotatorencuff,
meestal de m. supraspinatus. n een minderheid van de gevallen gaat het
om een acute of chronische ontstekingsreactie van de
bindweefselbekleding van de subacromiale ruimte, die dan `bursitis'
wordt genoemd.
Tegenwoordig wordt de term PHS in het algemeen veel minder
gebruikt en wordt het ontstoken weefsel zo specifiek mogelijk
benoemd, waardoor ook de behandeling veel gerichter kan worden
aangepakt.
In de inleiding van dit artikel werden de voornaamste
oorzaken van spierpeesletsels in het schoudergebied al uitgebreid
besproken. Ook de specifieke klachten van
een tendopathie met de indeling in een viertal stadia zijn al eerder
uitgebreid aan de orde gesteld.
Tendopathie van de m. supraspinatus
De klachten bij een supraspinatus-tendopathie bestaan meestal uit een
diepe pijn aan de buitenzijde van de schouder, die soms verder
uitstraalt tot in de elleboog en het radiale gedeelte van de onderarm. Bij actief onderzoek wordt tijdens abductie
een `painful arc' tussen 80° en 120° gevonden. Opvallend is dat de
painful arc niet aanwezig is bij abductie met een geëxoroteerde arm. De
pees van de supraspinatus glijdt dan meer naar dorsaal onder het
acromion door, waar meer ruimte is. Abductie gecombineerd met
endorotatie geeft meer pijn tijdens de painful arc.
Bij passief onderzoek is endorotatie pijnlijk en kunnen
anteflexie en abductie eindstandig gevoelig zijn. De weerstandstest voor
abductie is pijnlijk, soms niet bij aanspannen maar juist bij
ontspannen, dus bij het loslaten van de arm. Bij palpatie is de
spierbuik van de m. supraspinatus, hoewel bedekt door m. trapezius, te
palperen in de fossa supraspinata van het schouderblad. De pees van de m.
supraspinatus kan gevoeld worden als de patiënt tegen de schuingestelde
klep van de bank geleund zit en de arm in endorotatie op de rug gebracht
is. Het tuberculum majus komt dan naar voren en de pees door de m.
deltoideus heen te voelen: eerst wordt de laterale rand van het acromion
opgezocht en naar voren afgetast: 11/2
tot 2 cm distaal en ventraal van de voorste hoek van het acromion
ligt de pees van m. supraspinatus.
De spierpeesovergang kan daarentegen het best gepalpeerd worden met de
arm in 90° abductie gesteund op de hoogstaande klep van de bank. Mediaal
in de hoek waar clavicula en spina scapula bij elkaar komen is de
spierpeesovergang voelbaar. Bij een laesie van de spierpeesovergang van
de m. supraspinatus hoeft er niet altijd een painful arc te bestaan. Ook
de eindstandige pijn bij abductie en anteflexie kan dan ontbreken. De
weerstandstest voor abductie is wél positief.
 |
|
 |
TENOPERIOSTAAL
OPPERVLAKKIG PAINFUL ARC
PIJN ABDUCTIE à
WEERSTAND
|
|
TENOPERIOSTALE OVERGANG
ALLEEN PIJN ABDUCTIEà
WEERSTAND
|
| |
|
|
 |
|
 |
TENOPERIOSTAAL OPPERVLAKKIG
en DIEP
PIJN à
MAX. LAT.
ELEVATIE à
PAINFUL ARC
PIJN ABDUCTIE à
WEERSTAND
|
|
DIEP TENOPERIOSTAAL
PIJN à
MAX. LAT.
ELEVATIE
PIJN ABDUCTIE à
WEERSTAND
|
Tendopathie van de m. infraspinatus
De m. infraspinatus is beduidend minder vaak geblesseerd dan de
m.supraspinatus; dit is waarschijnlijk te danken aan de betere
doorbloeding van de pees, waardoor ook minder degeneratieve veranderingen
optreden.
De m. infraspinatus wordt beschouwd als de belangrijkste stabilisator van
de (humerus)kop in de kom van het schoudergewricht (cavitas
glenoidalis). Bij een instabiliteit ten gevolge van een verminderde
spierkracht of verslechterde coördinatie is het voor te stellen, dat een
explosieve beweging zoals een smash bij volleybal, waarbij snelheid en
kracht samengaan, de kop als het ware in de kom heen en weer doet slaan.
De klachten van de patiënt bestaan uit pijn in het gebied van de m.
deltoideus op de bovenarm, vaak uitstralend naar het gebied van de biceps.
- Actieve anteflexie en abductie
kunnen eindstandig pijnlijk zijn, soms is er een painful arc.
- Passieve anteflexie en abductie
zijn eindstandig pijnlijk, maar het meest pijnprovocerend is horizontale
adductie.
-
De weerstandstest voor exorotatie
is pijnlijk, de overige weerstandstests geven geen bijzonderheden.
Bij ouderen kan een ruptuur van de infraspinatuspees
voorkomen na een val op de gestrekte arm. Ook ten gevolge van
degeneratieve veranderingen kan zelfs ongemerkt een ruptuur optreden. In
dat geval is de exorotatie aanzienlijk beperkt door schrompeling van het
voorste kapsel. De weerstandstest voor exorotatie is dan verzwakt, maar
niet pijnlijk.
Een blessure van de m. infraspinatus betreft vrijwel altijd de pees of de
aanhechting hiervan. Palpatie van deze structuren gaat als volgt.
In de ruststand van de schouder is het middelste en onderste deel van de
pees te palperen aan de achterzijde van de schouder onder de dorsolaterale
hoek van het acromion, terwijl het bovenste deel zich in deze stand nog
onder het acromion bevindt. Door de arm in 45° anteflexie te plaatsen
wordt de pees volledig voor palpatie toegankelijk. Door 20° exorotatie
draait bovendien het tuberculum majus onder het acromion uit, waardoor ook
de aanhechting goed voelbaar wordt.
Infraspinatus-atrofie
Een ander zeldzaam voorkomend verschijnsel is de al dan niet met pijn
gepaard gaande geïsoleerde atrofie van de m. infraspinatus, die in de loop
van de laatste jaren steeds meer aandacht heeft gekregen.
Deze aandoening blijkt te berusten op een laesie van een perifere zenuw
(de nervus suprascapularis), die in het schoudergebied zowel de m.
supraspinatus als de m. infraspinatus verzorgt.
Bij een aantal topsporters (met name bij volleybal, bij handbal en bij
honkbal) blijkt een geïsoleerde uitval te bestaan van het gedeelte van
deze zenuw (ramus infraspinatus) dat de m. infraspinatus
innerveert; de rest van de zenuw is intact, waardoor de m. supraspinatus
normaal functioneert.
De oorzaak van dit letsel moet gezocht worden in het specifieke
bewegingspatroon bij de bovengenoemde takken van sport.
Bij de werpsporten zou het gaan om de laatste fase van het bovenhands
werpen, de uitzwaaifase. In deze fase is de bal al geworpen en maken de m.
infraspinatus en de m.teres minor een excentrische
contractie om de kop van de bovenarm in de kom van het schouderblad te
stabiliseren. Tijdens deze excentrische beweging zou dan (te) grote trek
worden uitgeoefend aan de zenuw, op de plaats waar deze om de spina
scapulae heenloopt, met uiteindelijke verscheuring als gevolg.
Bij volleybal zou de oorzaak liggen in het
intensief trainen op de z.g. 'floaterserve'. Hierbij wordt de bal hard,
maar zeer kort geraakt waardoor een plotselinge omslag plaatsvindt van
concentrische naar excentrische contractie van de m. infraspinatus, met
hetzelfde gevolg voor de zenuw als beschreven bij de werpbeweging.
Het gevolg van dit zenuwletsel is in de loop van een aantal maanden
een volledige atrofie van de
m. infraspinatus, die gepaard gaat met een krachtsverlies van ± 20% bij
exorotatie van de bovenarm.
Het klachtenpatroon wordt gekenmerkt in rust door
een vage, wat stekende pijn aan de dorsale zijde van het schouderblad en
een verminderde kracht bij het naar buiten draaien van de bovenarm. Bij
sportbeoefening blijken zich nogal eens pijnklachten te ontwikkelen
aan de voorzijde van het schoudergewricht. Deze klachten ontstaan, doordat
de stabilisering van de humeruskop in de kom van het schoudergewricht door
de atrofie van de m. infraspinatus te kort schiet. Hierdoor kan de
humeruskop in principe naar voren subluxeren met surmenage van het voorste
schouderkapsel als gevolg, terwijl vaak ook de lange kop van de m. biceps
geïrriteerd raakt.
De behandeling van dit letsel is nog niet geheel duidelijk.
Theoretisch kan de zenuw zich herstellen, mits deze in een vroeg stadium
door neurochirurgisch ingrijpen wordt vrij gelegd. In Duitsland zijn met
deze methode goede ervaringen opgedaan, maar uitgebreide
onderzoeksgegevens over langere termijn zijn hierover nog niet
beschikbaar.
De reactieve irritatie van het voorste schouderkapsel kan worden behandeld
door relatieve rust, intensieve ijsapplicatie, eventueel fysiotherapie en
medicinaal. Hierna is gerichte krachttraining van groot belang om de rest
van de rotatorencuff zo goed mogelijk te ontwikkelen, vooral de m. teres
minor als overgebleven exorotator. Hervatting van sportactiviteiten blijkt
met dit beleid in de meeste gevallen weer mogelijk te zijn.
Tendopathie van de m. teres minor
De m. teres minor functioneert als het kleine broertje van de m.
infraspinatus; zijn belangrijkste functie is exorotatie van de bovenarm.
De spier loopt een beetje lateraal en ten dele zelfs ventraal van de
m.infraspinatus.
De klachten bij een laesie bestaan uit een scherpe diepe pijn,
gelokaliseerd als een ronde plek ter grootte van een rijksdaalder op het
achterste deel van m. deltoideus (de pars spinalis).
Bij onderzoek is passieve horizontale adductie pijnlijk en
eindstandig kunnen abductie en anteflexie gevoelig zijn; passieve
endorotatie kan eindstandig beperkt zijn.
-
De weerstandstest
voor exorotatie is pijnlijk.
-
De m. teres minor kan het
best gerekt worden in zijlig, waarbij men de arm in maximale
anteflexie/elevatie achter het hoofd laat zakken.
-
Voor palpatie is de
uitgangshouding zit of stand met de arm in neutrale houding. De pees van
m. teres minor is dan te voelen ongeveer een duimbreedte onder de
dorsolaterale hoek van het acromion, distaal van de pees van de m.
infraspinatus.
Tendopathie van de m. subscapularis
De klachten bij een laesie van de m. subscapularis bestaan uit
pijn, aangegeven aan de achterzijde van het schoudergewricht, met een
eventuele uitstraling over het schouderblad en de binnenzijde van de
bovenarm.
De m. subscapularis is de belangrijkste endorotator. De brede vlakke pees
heeft een circa 2½ tot 3 cm lang, peervormig aanhechtingsgebied op het
tuberculum minus aan de voorzijde van de schouder.
-
Bij actiefonderzoek kunnen adductie en anteflexie eindstandig
pijnlijk zijn en abductie kan een `painful arc' hebben.
-
Passieve exorotatie is soms pijnlijk en
horizontale adductie is pijnlijk omdat het tuberculum minus hierbij
tegen de processus coracoideus stoot.
-
De weerstandstest voor endorotatie is pijnlijk; de overige
weerstandstests geven geen bijzonderheden.
Voor palpatie van de pees van de m. subscapularis is de
uitgangshouding, zit of stand met de elleboog in de zij en een exorotatie
van ± 80° in de schouder. De pees loopt dan loodrecht op de lengterichting
van de humerus en is tussen de processus coracoideus en het caput longum
van de m. biceps volledig af te tasten. De eenvoudigste manier is om de
wijsvinger lateraal in de fossa infraclavicularis te leggen, en
vervolgens de processus coracoideus op te zoeken. Direct
daarnaast is de ongeveer een vingerbrede pees voelbaar.
Tendopathie van de m. biceps brachii
Hoewel niet behorend
tot de rotatorencuff wordt de tendopathie van de m. biceps brachii hier
eveneens besproken, omdat de lange kop (caput longum)
van de m. biceps in de suprahumerale ruimte tussen
tuberculum majus en minus en onder de rotatorencuff loopt en mede
geïrriteerd kan raken.De klachten
bij een laesie van het caput longum
bestaan uit pijn, die wordt aangegeven in het anatomisch
verloop van de spier. De pijn is bij het onderzoek moeilijk te provoceren.
Passief doorgevoerde anteflexie/elevatie geeft een
compressie van de pees. Ook de passieve lengtetest,
waarbij de arm met gestrekte elleboog en naar binnen gedraaide onderarm in
maximale retroflexie wordt gebracht, kan de pijn opwekken. Als deze test
negatief is, kan als verdere provocatie vanuit deze eindstand weerstand
worden gegeven terug naar de ruststand van de schouder: dit wordt als de
`ultieme provocatietest' voor een laesie van de lange kop van de m. biceps
beschouwd.
De klachten ten gevolge van een laesie van de korte
kop (caput breve) van de m. biceps zijn vrij
zeldzaam, maar komen wel voor o.a. bij volleybalspelers. Het caput breve
geeft, naast flexie en supinatie, tevens endorotatie en adductie van de
bovenarm en kan het best geprovoceerd worden door in de eindstand van
horizontale exorotatie (abductie) weerstand te geven tegen endorotatie.
Voor palpatie van het caput longum is de uitgangshouding zit met de hand
gesteund op het bovenbeen.
Allereerst wordt het tuberculum minus opgezocht, zoals beschreven bij de m.
subscapularis. Direct lateraal hiervan loopt de sulcus intertubercularis,
die ook wel sulcus bicipitalis genoemd wordt. In deze sulcus loopt de pees
van het caput longum. Bij magere mensen is deze gemakkelijk voelbaar. Dit
lukt het best als de gebogen arm in circa 45° abductie en anteflexie wordt
gebracht.
In deze stand is de overgang van pars clavicularis en pars acromialis van
de m. deltoideus te voelen. Met de vingers ter plaatse van de overgang
wordt de arm weer in de uitgangshouding teruggebracht. De sulcus
bicipitalis bevindt zich dan precies onder de vingers. Ter controle kan de
arm nog passief geroteerd worden, waarbij achtereenvolgens tuberculum
minus, sulcus en tuberculum majus onder de vingers doorglijden.
Voor palpatie van de aanhechting van het caput breve legt men de vinger
lateraal in de fossa infraclavicularis en zoekt men de processus
coracoideus op. Mediaal hecht hieraan m. coracobrachialis, lateraal het
caput longum m. bicipitis.
Behandeling
De behandeling van de tendopathieën van de
rotatorencuff verschilt in feite niet van de behandeling, zoals die eerder
beschreven is voor tendopathieën in hun algemeenheid; hiervoor wordt dan
ook verwezen naar het desbetreffende hoofdstuk.
Specifiek voor het schoudergewricht geldt, dat de tendopathieën in dit
gebied vooral ontstaan ten gevolge van een onjuist bewegingspatroon en dat
correctie van dit bewegingspatroon door oefentherapie de sleutel tot
genezing is.
Bij alle behandelingen moet primair staan het controleren en zo nodig
herstellen van de normale beweeglijkheid van alle gewrichten van de
schoudergordel, inclusief herstel van de beweeglijkheid van de cervicale
wervelkolom en de overgang van cervicale naar thoracale wervelkolom.
Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van een mobiliserende massage van de
schoudergordel. Ook kan bij deze gebruik worden gemaakt van mobiliserende
oefeningen (zie hiervoor
schouderherstel).
Daarnaast moet ervoor gezorgd worden, dat de spieren rondom de
schoudergordel goed op lengte zijn c.q. worden gebracht. Voor deze
stretching kan gebruikt worden gemaakt van de oefeningen, die in het
desbetreffende artikel "schouderherstel"zijn aangegeven.
Vervolgens moeten de spieren van de rotatorencuff versterkt worden door
middel van gerichte oefentherapie. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van
de oefenvormen,uit hetzelfde artikel.
In het begin dienen deze oefeningen zonder belasting te worden uitgevoerd en pas als de uitvoering ongestoord
is, dat wil zeggen door de juiste spieren wordt
uitgevoerd, kan met een lichte belasting begonnen worden.
Hierbij gaat het om een gewicht van ½ kg, dat in
de loop van een aantal trainingen wordt verzwaard tot maximaal 3 kg; het
is niet aan te raden om met zwaardere gewichten te werken, aangezien dan
gemakkelijk een verkeerd bewegingspatroon gaat ontstaan met verstoring van
de musculaire balans.Aanbevelenswaardig is om veel herhalingen uit te
voeren: gestreefd moet worden naar een oefensessie van 3 series van 20
herhalingen per oefening; zo'n oefensessie moet tenminste éénmaal en ten
hoogste driemaal per dag worden uitgevoerd.
Indien door mobilisatie de beweeglijkheid van de gewrichten van de schoudergordel, alsmede door
stretching de lengte van de omringende musculatuur, alsmede door gerichte
oefentherapie de actieve stabilisering van het
schoudergewricht door de spieren van de rotatorencuff zijn gewaarborgd,
kan systematisch gewerkt worden aan versterking van de spieren die het
scapulothoracale gewricht alsmede het glenohumerale gewricht overspannen.
Bursitiden
De belangrijkste slijmbeurs
(bursa) rondom het schoudergewricht is de bursa subacromialis.
De bursa subacromialis is de grootste 'slijmbeurs' in
het menselijk lichaam. Hij bevindt zich tussen het tuberculum majus en
minus met daarop de aanhechtingen van de m. supraspinatus, m.
infraspinatus en m. subscapularis en de erboven liggende boog gevormd door
acromion, lig. coracoacromiale en processus coracoideus. Dit gebied wordt
de subacromiale ruimte genoemd. In normale omstandigheden is deze
ruimte opgevuld met losmazig bindweefsel, het zgn. glijweefsel. Bij
overmatige wrijving vormt zich een bursa.
Lateraal strekt de bursa subacromialis zich uit onder de m. deltoideus en
wordt daarom ook bursa subdeltoidea genoemd.
De bursa subacromialis wordt functioneel wel als het subacromiaal gewricht
benoemd, waarbij het tuberculum majus en minus de kop en het acromion, het
lig. coracoacromiale en de processus coracoideus de kom vormen.De bursa
zorgt ervoor dat de pezen van de rotatorencuff gladjes onder het
schouderdak door kunnen lopen. De bursa subacromialis ligt los van het
glenohumeraal gewricht en heeft er geen verbinding mee. Men
onderscheidt een acute en chronische ontsteking van de slijmbeurs
(bursitis).
Acute bursitis
De acute bursitis
subacromialis kan posttraumatisch ontstaan, bijv. door een ongelukkige val
op de schouder. Het kan ook het eerste symptoom van een reumatische
aandoening zijn, of ontstaan doordat kalk van een verkalkte
supraspinatuspees in de bursa komt. Er is een acuut begin en het duurt
meestal 3 dagen voordat het beeld zich volledig heeft ontwikkeld. De
klachten bestaan uit pin, die
steeds erger wordt en die zich in eerste instantie alleen in de schouder
bevindt, maar later uitstraalt tot aan de vingers. Er zijn grote
bewegingsbeperkingen, met name van de abductie, terwijl de
rotaties nauwelijks beperkt zijn. De isometrische weerstandstests
zijn pijnvrij en de kracht is normaal.
De klachten houden ongeveer 10 dagen aan en nemen daarna in de loop van 6
weken geleidelijk af, waarna spontaan genezing mogelijk is.
Hoewel behandeling met ijs, meerdere malen per dag gedurende 15 tot 20
minuten toegepast, verlichting geeft, is het voor een direct effectieve
behandeling aan te bevelen om een arts te consulteren.
Chronische bursitis
Een chronische
bursitis subacromialis is niet het vervolg op een acute bursitis: het
betreft twee verschillende aandoeningen met ook verschillende oorzaken.
Men onderscheidt primaire en secundaire chronische bursitis.
De primaire chronische bursitis is het gevolg van
een op zich asymptomatisch verlopende degeneratieve aandoening van het
schoudergewricht.
Een secundaire chronische bursitis kan ontstaan op
grond van pathologie van het acromioclaviculair gewricht, ten gevolge van
een laesie van een van de pezen van de rotatorencuff of door de veranderde
vorm van acromion en/ of tuberculum majus,
bijv. na een
fractuur.
In het algemeen ontstaat een chronische bursitis door irritatie van de
wand van de subacromiale ruimte ten gevolge van onregelmatigheden of
verdikkingen in één van de pezen van de rotatorencuff. Belangrijk is om
bij een chronische bursitis naar de achterliggende oorzaak te zoeken.
De symptomen van een chronische bursitis kenmerken
zich door subacute, terugkerende pijn, het belangrijkste symptoom is de
painful arc' tijdens abductie.
Men spreekt van een painful arc wanneer bij een actieve anteflexie- of
abductiebeweging een gedeelte van het bewegingstraject pijn veroorzaakt,
die weer verdwijnt als de arm verder geheven wordt.
Een painful arc is aanwezig bij pijnlijke inklemming van structuren tussen
het schouderdak (gevormd door acromion, lig. coracoacromiale en processus
coracoideus) en de kop van de bovenarm.
Tussen 80° en 120° abductie vernauwt de op zichzelf al enge ruimte tussen
schouderdak en caput humeri zich nog eens extra. Soms is ook één van de
andere bewegingen eindstandig pijnlijk en beperkt en kunnen de
weerstandstests voor abductie en exorotatie pijnlijk zijn. Dat laatste is
ook de reden dat een chronische bursitis ten onrechte wel voor een laesie
van de m. supraspinatus wordt aangezien.
Ter differentiatie kan de volgende test uitgevoerd worden).
De onderzoeker palpeert de laterale rand van het acromion en geeft een_
lichte tractie naar caudaal aan de bovenarm. Zodra een vergroting van de
afstand tussen acromion en humerus voelbaar is, wordt de patiënt verzocht
zijn arm rustig tegen weerstand in te abduceren.
Hierbij wordt de pees van de m. supraspinatus op spanning gebracht en bij
een laesie hiervan zal de pijn dus geprovoceerd worden. De bursa wordt
hierbij echter ontlast: als er dus geen pijn optreedt, is er sprake van
een bursitis. Hoewel behandeling met ijs en diverse fysiotechnische
applicaties tijdelijk verlichting geven, is bij een chronische bursitis de
consultatie van een arts wenselijk. Deze kan met behulp van medicatie
ervoor zorgen dat de lokale pijn en de painful arc onmiddellijk verdwenen
zijn.
Afhankelijk van de oorzaak, kan bij therapieresistente pijnklachten
chirurgisch ingrijpen noodzakelijk zijn.
Een bursitis kan langdurig problemen geven. Dit kan met name het geval
zijn als de atleet de schouder niet voldoende rust geeft en zijn
activiteiten hervat vóórdat de klachten volledig verdwenen zijn. Dit leidt
onherroepelijk tot recidiefklachten en elke keer dat de symptomen
terugkeren, zullen ze moeilijker te beïnvloeden zijn.
Frozen shoulder
De (fozen shoulder, ook wel adhesieve capsulitis genoemd, is een
ziektebeeld waarbij de actieve bewegingsmogelijkheid in het glenohumeraal
gewricht sterk verminderd of totaal verdwenen is.
Bij microscopisch onderzoek toont het gewrichtskapsel tekenen van
chronische ontsteking. De oorzaak hiervan is niet altijd duidelijk. Er
wordt wel gesteld dat er een dysregulatie van het vegetatieve zenuwstelsel
aan ten grondslag zou liggen.
|
|