|

|
|
Springersknie
De springersknie is een chronische blessure, waarbij de kniepees is
geïrriteerd. Bij te grote belastingen,
zoals explosief strekken van de knie (b.v. bij het springen) kunnen er
peesvezeltjes kapot gaan. Er ontstaat een ontstekingsreactie met als
gevolg zwelling en pijn. Er is vooral pijn aan de onderpunt van de
knieschijf, waar de kniepees vastzit aan het bot. De springersknie is een
typische overbelastingsblessure.
Overbelasting ontstaat doordat de belasting hoger is dan de belastbaarheid
van de knie en de bovenbeenspieren.
Te hoge belasting door:
-
te
moeilijke of te zware oefeningen;
-
te veel herhaling van
bewegingen in de oefenprogramma's;
-
te
diep doorzakken bij de (af)sprong of landing;
Verminderde belastbaarheid door:
-
onvoldoende kracht en
coördinatie in de bovenbeenspieren;
-
een afwijkende stand
van het been, de knie of de voet;
-
een eventuele snelle
groei in relatie tot de leeftijd;
-
afwijkingen in de
(normale) functie van de knie.
Behandeling
Het is van belang om zo snel mogelijk te starten met het genezingsproces,
want hoe langer men wacht, hoe moeilijker het wordt om de springersknie te
genezen.
De behandeling bestaat uit:
-
sterk verminderen of
vermijden van explosieve belasting;
-
niet-explosieve
oefeningen ter versterking van de voorste dijbeenspieren;
-
extra aandacht voor
warming-up en rekken van de voorste en achterste dijbeenspier;
-
tape-bandage over de
onderpunt van de knieschijf;
-
ijsmassage
10 -15 minuten, enkele malen per dag;
-
Als de blessure langer
dan vier weken blijft bestaan, ga dan naar de huisarts.
De springersknie
voorkomen
Algemeen
-
Zorgen voor een goede
trainingsopbouw tijdens het seizoen en tijdens een training of les.
-
Het
seizoen beginnen met het opbouwen van kracht en coördinatie, in dit
geval met name voor de spieren van de bovenbenen.
-
Na een rustperiode
(vakantie) de sprongbelasting geleidelijk aan opvoeren.
-
Tijdens de
training of les eerst een goede warming-up waarbij de bovenbeenspieren
goed "warm" gewerkt worden, gevolgd door goede rekoefeningen.
-
Na de warming-up de
bovenbeenspieren en knieën geleidelijk aan zwaarder belasten (eerst
licht kaatsen, dan aanloop-kaats, kleine dieptesprongen en daarna pas
acrobatische of volledige sprongbelasting en landingen).
-
Bij de belasting
rekening houden met eventuele snelle groei, ziekte of andere oorzaak van
verminderde belastbaarheid.
Bij specifieke oefeningen
-
Bij sprongen, afzetten, sprongseries en landingen niet te diep door de
knieën zakken. Dit verhoogt de belasting van de knieschijf en kniepees.
-
Bij moeilijke afsprongen de landing laten afrollen. Dit vermindert de
belasting op de knie. Pas als de afsprong goed wordt beheerst, landen
tot stand.
Sporthervatting na de
springersknie
De opbouw
Op het moment dat de (para)medisch deskundige aangeeft dat de knie zodanig
genezen is dat deze weer belastbaar is, kan men aan de slag met de opbouw
van de belasting. Bij deze opbouw is pijn het signaal om rust te houden.
Om te voorkomen dat de springersknie weer de kop opsteekt, mogen de
oefeningen dus niet pijnlijk zijn. De opbouw van de belasting kan in drie
fasen geschieden:
fase 1: verbeteren
van de functie
In deze fase wordt vooral aandacht besteed aan de spierversterking, de
verbetering van de coördinatie en verbetering van de beweeglijkheid van de
knieën en bovenbeenspieren:
-
coördinatie-oefeningen voor de bovenbeenspieren (oefening 1 en 2);
versterken van de bovenbeenspieren (oefening 3 t/m 7);
-
oefeningen voor het verbeteren van de beweeglijkheid in de knie:
rekoefeningen voor de bovenbeenspieren aan de voor- en achterzijde
(oefening 8 en 9).
(Het is aan te raden de oefeningen ook met het niet geblesseerde been
uit te voeren.)
fase 2: opbouw van de
sportbelasting
In de tweede fase gaat de aandacht uit naar de opbouw van de specifieke
gymnastische oefeningen. Hierbij wordt voornamelijk de belasting verhoogd,
met een lage moeilijkheidsgraad. De toename van de kniebelasting zou b.v.
in onderstaande volgorde kunnen plaatsvinden:
-
lichte
kaatssprongetjes;
-
licht springen op de
trampoline;
-
loop- en
sprintoefeningen;
-
aanloop-kaatssprongen;
-
kaatssprongen voorover
naar een muur en met de handen tegen de muur afzetten;
-
kleine dieptesprongen;
-
dieptesprongen met
lichte kaats.
fase 3: volledige
sportbelasting
Bij volledige sportbelasting worden de oefeningen uitgebreid door de
moeilijkheidsgraad te verhogen, b.v. in onderstaande volgorde:
Herhaling voorkomen
Als de knie volledig genezen is en de sportbelasting weer op een goed
niveau, moet er toch nog aandacht worden besteed aan het voorkomen van een
herhaling van de springersknie. Hiertoe moeten met name de in fase 1 en 2
genoemde oefeningen voor beide benen regelmatig worden herhaald tijdens de
trainingen of lessen.
Lopers knie – runners knee
Veel
joggers hebben last van een pijnlijke 'lopersknie'. Deze blessure ontstaat
door de krachten die tijdens het lopen op het gewricht worden uitgeoefend.
Het is een overbelastingssyndroom, dat te wijten is aan een microtrauma
van het kapsel van de knie. De pijn treedt voornamelijk op ter hoogte van
de tractus iliotibialis (sterk bindweefselblad), die loopt langs de
buitenzijde van de knieschijf. Het wezenlijk belangrijke punt van de
lopersknie is dat het geen blessure binnen in het gewricht is maar
erbuiten. Zo kan de blessure gemakkelijk worden onderscheiden van
blessures binnen het kniegewricht zoals gescheurd kraakbeen, een
gescheurde gewrichtsband of een gewrichtsmuis.
Bij lopers met normale voeten wordt de kracht die bij het lopen wordt
opgewekt opgevangen door de voeten. Als men echter ook maar een zeer
kleine afwijking aan de voeten heeft, zoals te lage of te hoge voetbogen,
wordt de kracht van de voet overgebracht naar de knie. Gewoon wandelen of
het verrichten van de dagelijkse bezigheden doet geen pijn, maar bij het
hardlopen moet de knie boeten voor een voetafwijking.
De medische wetenschap heeft ontdekt dat de pijn bij een lopersknie wordt
veroorzaakt doordat het kniekapsel op vele plaatsen kleine scheurtjes
krijgt. Dat veroorzaakt een pijn die niet precies is te lokaliseren. De
pijn lijkt veel meer verspreid over een groot gebied aan de buitenkant van
het kniegewricht.
Een lopersknie begint meestal met weinig pijn, die steeds erger wordt.
Soms ontstaat die pijn al bij een enkele keer hardlopen: Vaak zegt de
patiënt dat hij zich bijzonder fit voelde en daarom nog eens 6 km verder
is gelopen en dat de pijn pas opkwam na het lopen. De pijn treedt meestal
op aan de buitenzijde van de knie.
De pijn varieert van een vage zeurende pijn tot een hevig stekende pijn,
maar is niet precies te lokaliseren. De meeste patiënten met een
lopersknie kunnen niet precies hun vinger op de zere plek leggen. Zij
zullen meestal hun hele platte hand op de pijnlijke plaats leggen.
Het onderzoek bij een dergelijke patiënt begint bij de knie. De arts moet
namelijk zeker weten dat binnen het kniegewricht alles in orde is. De
patiënt moet daarvoor op de onderzoektafel zitten met de benen over de
tafelrand gebogen in een hoek van 90°. Met de vingertoppen voelt de arts
langs de buitenste rand van de knieschijf en dan naar beneden onder de
buitenste knop van het dijbeen. Deze plaats is meestal gevoelig.
Gewoonlijk is er geen zwelling of verkleuring te constateren. Dan voelt de
arts langs de randen van het gewricht om te kijken of het gebied van het
kraakbeenkussen van de knie gevoelig is - een mogelijke aanwijzing van een
gescheurde meniscus. Bij een patiënt met een lopersknie zijn die gebieden
niet gevoelig. Vervolgens voelt de arts langs de gewrichtsbanden en
beoordeelt de stabiliteit ervan. Hij onderzoekt de mogelijkheden van een
subluxatie of dislocatie. Bij een patiënt met een lopersknie valt ook dit
onderzoek negatief uit. Opvallend is juist dat de patiënten met een
lopersknie over het algemeen stabiele knieën hebben. Er is evenmin een
schurend geluid achter de knieschijf te horen. De arts voelt daarna langs
het scheenbeen, maar daar is zelden sprake van gevoeligheid. Overrekking
van de m. flexor digitorum heeft niets met deze blessure te maken. Deze
geeft wel pijn aan het scheenbeen.
Men dient altijd de belendende gewrichten te onderzoeken. De
heupgewrichten tonen bij dit klachtenbeeld normaliter geen bijzonderheden.
Ook dient men altijd alert te zijn op een beenlengteverschil, dat de
oorzaak kan zijn van verschillende klachten op verschillende plaatsen in
het lichaam. Dat is echter meestal niet de oorzaak van een 'lopersknie'.
De laatste stap van het onderzoek is het bekijken van de voeten. De arts
zal de patiënt met het gezicht naar beneden op de onderzoektafel laten
liggen, met de voeten aan het eind van de tafel. Daardoor kan hij de
relatie tussen de hiel en de bal van de voet beoordelen. Hij draait de
hiel zachtjes naar buiten zodat die precies lijnt met de achillespees. De
hiel wordt in de 'neutrale' stand gebracht. Hij legt dan een liniaal langs
de bal van de voet. De liniaal moet een rechte hoek vormen met de kuit en
de achillespees. Als de streek onder de grote teen iets opstaat is er
sprake van een voet die supineert of op natuurlijke wijze iets omhoog
krult. Is de voet op die manier gevormd dan is de afzet bij het lopen niet
efficiënt, omdat de grote teen de grond moeilijk kan raken. Door het
voetbooggewelf af te vlakken kan men de grote teen wel aan de grond
krijgen maar daardoor wordt een uitzonderlijke torsie uitgeoefend op de
voet, waardoor een extra kracht wordt uitgeoefend op het onderbeen en de
knie. Daardoor ontstaat een overbelasting voor de buitenzijde van het
kniegewricht hetgeen de oorzaak kan zijn van vele kleine scheurtjes, met
als gevolg: de lopersknie.
Als de voet supineert zal de schoen een vreemd slijtpatroon vertonen. De
buitenste randen van de hak en de zool slijten zeer snel af. De randen aan
de binnenzijde van de voet lijken nog gloednieuw. Daarom zal de arts
waarschijnlijk aan de patiënt vragen of hij de volgende keer zijn
sportschoenen wil meebrengen.
De meeste mensen met een lopersknie hebben deze voetafwijking. Soms kan
resultaat worden bereikt bij het genezen van een lopersknie door een
steunzool die zowel in de gewone schoenen als in de sportschoenen past.
Het is met steunzolen net als met een bril. Ze moeten zijn aangepast aan
de patiënt. Men kan alleen zijn eigen steunzolen gebruiken. Als men die
van een ander in zijn schoenen doet helpen ze niet.
Het doel van een steunzool is de holte tussen de grond en de voet op te
vullen. Met andere woorden: de steunzool is een ruimtevuller. Als men met
steunzolen loopt komt de voet neer op de steunzool en die drukt op de
grond. Op die wijze behoeft men de voet niet meer te verdraaien om goed te
kunnen lopen. Daarmee wordt de plaatsing van de voet veranderd en de
torderende werking op het kniegewricht vermindert. Een steunzool is van
belang bij de behandeling van de lopersknie, die wordt veroorzaakt door
een verkeerde stand van het voetgewelf.
Om
de acute pijn van de lopersknie te bestrijden is het aan te bevelen om een
week lang tweemaal per dag gedurende 20 minuten ijs toe te passen.
Daardoor moet de gevoeligheid weggaan.
In elk geval mag men gedurende een week niet hardlopen. In die tijd kunnen
kleine scheurtjes genezen. Na een week kan weer met lopen worden begonnen,
maar slechts de helft van de afstand die men liep voor de blessure. Als
men drie weken zonder pijn heeft kunnen lopen kan men de oude afstand weer
opnemen. Het is praktisch nooit nodig om injecties met corticosteroiden te
geven. Een operatie komt evenmin in aanmerking.
Heuvellopersknie
Een populaire benaming voor een insertietendinose van de m. popliteus
komt vooral voor bij heuveltraining van hardlopers, voetballers en bij
bergwandelen. De klacht komt waarschijnlijk meer voor als er sprake is
van O-benen. Aanspannen tegen weerstand kan de klachten provoceren.
Lokale behandeling met ijs, fricties en ultrageluid geeft over het
algemeen goed resultaat.
PEESKLACHTEN
Inleiding
Voordat ik iets dieper in ga op de ontsteking van peesweefsel, is het
waarschijnlijk nuttig om de anatomie van de pees weer even tegen “het
licht te houden.”
Peesweefsel
Pezen kunnen zeer verschillend van vorm voorkomen, kort of lang.
Verscheidene spieren hebben praktisch zelfs geen pees. Histologisch
vertonen de pezen de bouw van een straf gevormd bindweefsel met veel
collagene vezels, die in staat zijn om weerstand te bieden aan
trekkrachten en ook de vorm van de pees handhaven. De karakteristieke
opbouw is: cellen ingebed in een extracellulaire matrix waarin veel vezels
voorkomen. De laatste zijn van belang voor de mechanische functies. De
pees kan door een bepaalde rangschikking van de collagene vezels (harmonicagaasachtig)
enigszins gerekt worden. Speciaal gerangschikte contractiele filamenten
zorgen voor een gedempte overbrenging van krachten. De collagene vezels
van de pees vormen primaire bundels, die afzonderlijk door een
bindweefselomhulsel, het peritendineum externum, omgeven zijn. De primaire
bundels met peesweefsel zijn door het peritendineum internum, dat ook
bloedvaten en zenuwen meevoert, gescheiden. Om de gehele pees ligt het
paratendineum.
De
tussenstof
De tussenstof omringt alle bindweefselcellen cellen. Ze bestaat uit een
sterk wateraantrekkende grondsubstantie en vezels die treksterkte geven.
De tussenstof bestaat uit:
De
GAG’s zijn in de meerderheid. Het zijn polymeren van aminosuikers in
afwisseling met zure monosaccharinederivaten. De grondsubstantie is door
haar hydrofilie gel-achtig karakter geschikt om als mechanische barrière
dienst te doen tussen de peesfibrillen. Ze is een product van de
fibroblasten.
De fibroblasten leveren ook de bouweenheden voor de vezels. Deze eenheden
worden als kleine helixstructuurtjes door exocytose (transport uit de cel
via de celmembraan) afgescheiden. Polymerisatie van deze eenheden tot
proteïneuze fibrillen vindt plaats in de grondsubstantie. De fibrillen
worden verenigd tot bundels, die de vezels van het bindweefsel zijn. De
bundels kunnen zelf weer spiraalsgewijs gewonden zijn.
Zowel de fibroblasten als de polymeriserende fibrillen liggen in de
richting van de op het weefsel staande trekkrachten.
Spier-peesovergang
Er is geen continue overgang tussen de spier en de pees. Aan het einde van
de spiervezels zet zich een “sarcolemmaslang” als de wortels van een boom
voort in de extracellulaire ruimte van de pees. Aan het einde van de
“wortels” vindt er een verbinding plaats tussen het cellulaire en
extracellulaire materiaal.. De pees zet zich ook voort in het spierweefsel
en vormt daar verbindingen met het interstitiële bindweefsel. De
overbrengen van krachten tussen spier en pees wordt hierdoor aanzienlijk
vergroot. Deze overgang dient als buffer tussen de beide weefsels, die
beide over verschillende mechanische eigenschappen beschikken.
De meeste pezen zijn door het losmazig bindweefsel, het paratendineum,
omgeven, dat dient voor een verbinding met de sereuze peesschede. Dit moet
het glijden over een harde onderlaag
vergemakkelijken.
Pees-botovergang
De verschillende eigenschappen in de elastische structuur van beide
weefsels moet in de zin van afremming van krachten en/of schokken in
evenwicht gebracht worden. De peesfibrillen gaan over via een onverkalkte
kraakbeenzône naar een verkalkte kraakbeenzône, die in het bot ingebed (“ingekit”)
is. Door extreme belastingen ontstaan er op microniveau bloedinkjes, die
reacties op gang brengen binnen de kraakbeenzône. De verkalkte
kraakbeenzône breidt zich uit in de richting van de onverkalkte
kraakbeenzône. De werking van de onverkalkte kraakbeenzône, die als buffer
geldt, wordt onrecht aangedaan. Op deze manier ontstaan
insertie-tendopathiën.
Belasting
Wanneer de belasting op de pees onevenredig groot wordt, de belastbaarheid
wordt b.v. stelselmatig overschreden, dan ziet men dat de mechanische
barrière van de GAG’s langzaam minder worden. De peesfibrillen in de
peesweefselkoker bewegen daardoor minder soepel langs elkaar en raken
elkaar. De belastbaarheid van de pees wordt daardoor minder en de
verhouding tussen de belasting en de belastbaarheid slechter. Men komt in
de bekende vicieuze cirkel en de problemen blijven dan ook niet uit.
Ontsteking
Een ontsteking wordt gezien als een afweerreactie van het organisme op een
extern inwerkende beschadiging, door b.v. druk, wrijving, wederkerende
belasting of een blessure. Overbelasting van de pezen leidt in vele
gevallen tot een zwelling van de peesbundel en peesfibrillen. Er vormt
zich oedeem in de wand van de peesschede evenals in het omgevende
bindweefsel. Tengevolge daarvan ontstaan bij de insertieplaatsen
subperiostale bloedinkjes met een reactieve infiltratie van het periost.
Deze reactie leidt tot een degeneratieve verandering, die een verzwakking
en vaak microrupturering veroorzaakt. Het mechanisch strijken, dat tot
microruptuurtjes of zelfs partiele rupturen leidt, neemt een belangrijke
aandeel in de pathologie van het peesweefsel.
Zowel endogene als exogene factoren kunnen debet zijn aan een
ontstekingsreactie in pezen, peesaanhechtingen, slijmbeurzen en periost
(beenvlies). Met betrekking tot intensiteit, de herhalingsfrequentie en
duur van de bewegingen geeft het bepaalde combinaties, die in het
bijzonder geschikt zijn om overbelastingsletsels te laten ontstaan. Dit
kunnen navolgende combinaties zijn:
-
Normale
belasting met een groot aantal herhalingen;
-
Hoge belasting en een
gemiddeld aantal herhalingen;
-
Hoge belasting en een
groot aantal herhalingen.
De
aandoeningen met betrekking tot het peesweefsel noemt men o.a. tendinitis,
peritendinitis, tendinose, tenosynivitis, tendinitiden e.a.
Onafhankelijk van de respectievelijke oorzaak leidt de ontstekingsreactie
tot een onvoorwaardelijke pijnlijke bewegingsbeperking in het gebied waar
de ontsteking aanwezig is. Het dwingt de sporter in veel gevallen tot het
staken van de sportactiviteit.
Als de ontsteking zich manifesteert tussen pees en peesschede kan een
crepiteren waargenomen worden. Indien bij laatstgenoemde ontsteking niet
direct adequate genomen worden, kan hierbij littekenweefsel ontstaan.
De eerste en belangrijkste stap bij de behandeling van een ontsteking is
om de oorzaak aan te pakken en deze te niet te doen. Vervolgens
opeenvolgende symptomatische maatregelen nemen zoals ‘t verminderen van de
zwelling, pijnbestrijding, ’t verbeteren van de beweeglijkheid en ‘n
situatie te scheppen ter stimulering van het genezingsproces.
Onderstaande symptomen vindt men meestal bij een ontsteking:
-
Zwelling door oedeem;
-
’t rood worden door een
hoger bloedaanvoer;
-
Een verhoogde
weefseltemperatuur door een verhoogde doorbloeding;
-
Pijn
het betroffen gebied;
-
Functiebeperking ten
gevolge van zwelling en pijn.
Een
blessure begint vaak insluipend. In het begin van de sportactiviteit nemen
pijn en bewegingsbeperking na de warming-up vaak af of verdwijnen zelfs.
In het algemeen keert de pijn bij het voortduren van de lichaamsactiviteit
sterker terug. Indien men dit veronachtzaamt kan men in een vicieuze
cirkel komen en wanneer deze niet onderbroken wordt, kan een chronisch
letsel ontstaan die veel moeilijker te behandelen valt.
Ontsteking van de aanhechting van de pees (tendoperiostitis)
Deze
peesaandoeningen blijken vooral bij intensieve sportbeoefening voor te
komen: hierbij worden bij herhaling dezelfde bewegingspatronen uitgevoerd,
waardoor steeds dezelfde weefselstructuren belast worden en gemakkelijk
overbelasting kan ontstaan
De oorzaak van deze overbelasting is het feit, dat bij (intensieve)
sportbeoefening met name de pezen en de peesaanhechtingen blootgesteld
worden aan (submaximale) belastingen, die weliswaar op zich nog juist
verwerkt kunnen worden, maar waarbij wel op cellulair niveau in het
peesweefsel veranderingen optreden.
Deze minimale beschadigingen zetten, op zeer kleine schaal, dezelfde
“reparatieprocessen” in gang die bij de peesruptuur gebruikelijk zijn, dit
is een kleine locale ontstekingsreactie. Wanneer deze reparatieprocessen
op microniveau te vaak worden verstoord door steeds nieuwe belastingen,
dan ontstaat het beeld van de chronische ontstekingsreactie, die op den
duur degeneratieve veranderingen in het peesweefsel veroorzaakt.
De meeste peesaandoeningen bij sporters ontstaan door een dergelijke
chronische overbelasting en worden stapelingsblessures dan wel
‘surmenage-letsels genoemd.
Door een slechte plaatselijke circulatie, slechte 'werk'omstandigheden
(koude, natte omgeving, slecht materiaal, hard vloeroppervlak) of
veranderde biomechanische verhoudingen door een anatomische afwijking
(endogene factoren) is de belastbaarheid van het peesweefsel minder. Bij
deze verminderde belastbaarheid is een normale belasting op dat moment te
hoog en is de balans tussen belasting en belastbaarheid verstoord.
Symptomen en diagnose bij een chronische peesontsteking
-
Pijn,
klachten en stijfheid in het peesgebied, in de overgang pees-bot;
-
Er
ontstaat een diffuse zwelling in het peesgebied met ’n duidelijke
functiebeperking;
-
Bij palpatie is de pees zeer pijngevoelig;
-
De
geblesseerde sporter ondervindt meestal toename van de klachten bij
contractie van de spier waarvan de pees betroffen is;
-
Wanneer de klachten blijven bestaan moet een partieel ruptuurtje in de
pees niet uitgesloten worden en direct een arts geconsulteerd worden.
Mogelijke aanpak
De sporter moet:
-
Het
aantal bewegingen die pijn veroorzaak beperken;
-
IJspakkingen
aanleggen in de acute fase;
-
Plaatselijk warmte toedienen en warmte vasthouden na de acute fase.De
(sport)arts kan;
-
Kortstondig
ontstekingsremmende medicijnen voorschrijven;
-
Een oefenprogramma met kracht- en rekoefeningen uitzoeken;
-
Zalfcompressen met een doorbloedingsbevorderende (Hiriduid-Heparine) en
ontstekingsremmende (Mobilat) werking voorschrijven.
Ook
kunnen na de acute fase dwarse fricties toepast worden. De dwarse fricties
op pezen worden meestal gegeven op een pees die gerekt is. De praktijk
heeft uitgewezen, dat in het geval van een significante afname van het
glucosamineglycaangehalte (GAG’s) in de pees, dwarse fricties hun werking
duidelijk hebben bewezen. Een en ander is nog niet wetenschappelijk
verklaard.
Dwarse
frictie
Deze frictie is geïndiceerd bij de eerder beschreven drukgevoelige
(pijnlijke) o.a. bij
tendinitis,
peritendinitis,
tendinose, tenosynivitis, tendinitiden,
bij de
behandeling van triggerpunten, enz.
Al naargelang lokalisatie en techniek van de toepassing kunnen de
uitvoeringen van de fricties als volgt beschreven worden:
-
Rekking
van de intrafusale vezels in de spierspoelen;
-
Uitscheiding van het weefselhormoon histamine;
-
Het
activeren van een aseptisch ontstekingsreactie door vernietiging van het
weefsel;
-
Hyperstimulatie door
onderdrukking van pijn (counter irritation) door het opwekken van een
hevige
pijn
elders wordt de primaire pijn onderdrukt);
-
Centrale inhibitie van het geprovoceerde weefsel.
De
prikkels van de dwarse frictie worden door de perifere sensoren
geregistreerd en door middel van de sensibele en vegetatieve afferenten
naar de centrale schakelcentra, in het bijzonder de formatio reticularis
en het limbische systeem, geleid. Van hier uit worden ze in de
hersenschors verwerkt, die de informatie omvormt en verder doorgeeft,
waardoor specifieke hersenarealen door een inhibitoir werkend
controle-orgaan geprikkeld worden, die verder een speciaal spinaal
regelmechanisme beïnvloedt en op die manier een demping van de pijn
bewerkstelligt.
In het bijzonder door de grote drukintensiteit van deze massagetechniek
komt het enerzijds tot een lokale hyperaemie met uitscheiding van
histamine door de mastcellen. Hierdoor wordt plaatselijke 'n hypoxie, die
een degeneratie tot zelfs necrose van de myofilamenten (peesfibrillen)
teweeg brengt, g.eëlimineerd.. Anderzijds komt het tot
weefselbeschadiging, die een aseptische ontstekingsproces op gang brengt
SPIERAANDOENINGEN
Inleiding
Jaarlijks lopen
miljoenen sportbeoefenaars min of meer ernstige spierblessures op. De
meeste ervan komen niet terecht bij een arts, alleen de zwaarste gevallen
komen in handen van de huisarts of op de eerste hulp afdeling van een
ziekenhuis terecht.
Sportartsen krijgen dagelijks te maken met blessures die zoveel voorkomen,
dat ze een begrip zijn geworden: tenniselleboog, voetbalknie, golfelleboog
enz.
Verschillende delen van de spier kunnen geblesseerd raken:
-
in 40 procent van de
gevallen is er sprake van een ruptuur van het spierlichaam, het
'vlezige' gedeelte van de spier;
-
in
nog eens 40 procent is de overgang tussen spierlichaam en pees
gescheurd;
-
bovendien kan de spier aan de oorsprong (onbeweeglijke aanhechting)
scheuren;
-
ook kan de pees van de spier losscheuren;
-
ten slotte kan de spier op de plaats van de aanhechting aan het
beweeglijke beenstuk scheuren.
Een goede sportverzorger
kan voelen waar de spierblessure zit. Meestal is de ruptuur te voelen,
zelfs al zit deze diep in het spierlichaam. Door vergelijking met de
gezonde kant is de diagnose gemakkelijk te stellen.
Spierrupturen onderscheidt men drie verschillende categorieën:
-
Categorie I -
Verrekking waarbij slechts enkele spiervezels overrekt zijn, met
minimale ruptuur van de vezels en zonder dat er een merkbaar defect in
de spier te voelen is.
-
Categorie II -
Verrekking waarbij de spiervezels gedeeltelijk zijn geruptureerd.
Meestal is deze ruptuur in de spier te voelen.
-
Categorie III -
Verrekking waarbij sprake is van een uitgebreide of totale ruptuur van
de spiervezels. Hierbij is een duidelijke, goed palpabele ruptuur in het
spierlichaam aanwezig. De spier kan geheel geruptureerd zijn, normale
spierfunctie is dan vrijwel uitgesloten.
De
ernst van een blessure is afhankelijk van de kracht die in de spier wordt
opgewekt. Meestal is het ruptureren een gevolg van een plotseling
optredende verandering in de spierspanning. Onverwachte krachtexplosies
zoals die voorkomen bij sprinters en veldlopers, een snelle sprint naar
het net bij tennis of een driedubbele sprong bij kunstschaatsen enz. zijn
typische voorbeelden van activiteiten die spierruptuur tot gevolg kunnen
hebben. Maar ook door gewoon traplopen kunnen dergelijke blessures
ontstaan of door het plotseling verminderen van de snelheid van een
beweging.
De spier is dan wel enigszins ontspannen, maar de antagonist trekt nog
krachtig samen. Dit soort blessures komt veel meer voor dan die welke het
gevolg zijn van het versnellen van de beweging.
Het is gebleken dat er bepaalde factoren zijn die het risico op
spierrupturen verhogen:
-
abnormale spanning in
spiergroepen die de normale beweging in het spierpeesgebied beperken;
-
incorrecte
of onvolledige rekking en 'warming up' vlak voor de training of de
wedstrijd;
-
spiervermoeidheid
als gevolg van te zware belasting;
-
langdurige
blootstelling aan koude, waardoor normale spiersamentrekking onmogelijk
wordt;
-
plotselinge
belasting van littekenweefsel dat is ontstaan na een blessure en dat
tijdens de genezing is samengetrokken, waardoor de normale spierbeweging
is beperkt. Door de plotselinge belasting zal het littekenweefsel weer
scheuren, met dezelfde verschijnselen als bij de oorspronkelijke
blessure.
Een
spierruptuur gaat in het algemeen gepaald met een bloeding (hematoom) in
de spier. Deze bloeding kan inter- of intramusculair zijn.
Intramusculaire
bloeduitstorting
Bloeduitstortingen in de spier kunnen ontstaan tengevolge van ruptuurtjes
(scheurtjes) door explosieve rek van de spier of door een stomp
spiertrauma. In het algemeen zit de bloeding binnen de spierfascia
((“bindweefselkous” om de spier). Tengevolge hiervan gaat de
intramusculaire druk omhoog, dat leidt tot een compressie van de
bloedvaten en daardoor wordt de bloeding gestopt. Er ontstaat een
zwelling, pijn en een sterk beperkte bewegingsmogelijkheid gedurende de
volgende 48 uur. Deze zwelling kan zich door osmotische processen
uitbreiden. Hierdoor kan vloeistof uit de omgeving de bloeduitstorting
versterken en de zwelling doen toenemen. Dit kan op deze manier een
volledige bewegingsbeperking van de spier bewerkstelligen. Als de
spierfascia ook beschadigd wordt, dan kan de bloeduitstorting zich tussen
de spiervezels of ander weefsel uitbreiden. Als belangrijkste complicatie
van een intramusculaire bloeding kan door een sterk verhoogde
intramusculaire druk spiercompressiesyndroom (loge of
compartimentsyndroom) ontstaan.
Intermusculaire bloeduitstorting
Bij een blessure van de fascia of perimysium (“bindweefselkous” om de
spiervezels) van de spier en de bloedvaten in de spiervezels, kan een
bloeding in het bindweefsel ontstaan. Na een aanvankelijke toename van de
druk en een daardoor verminderde doorbloeding, wordt deze druk snel
minder. Een zwelling en de bloeduitstorting kunnen zich typisch ook iets
beneden de blessure uitbreiden, waardoor de bloeduitstorting door de
zwaartekracht naar beneden “zakt”. In het algemeen duurt dit 24-48 uur.
Omdat de intermusculaire druk in het algemeen slechts kortstondig aanwezig
is, verdwijnt de zwelling relatief snel en is de spierfunctie weer terug.
Op voorwaarde dat de bloeduitstorting snel en adequaat behandeld wordt,
kan men uitgaan van een snelle en volledige genezing.
De
verzorger moet in het kader van EHBSO de bloeding zo snel mogelijk te
stoppen en wel onafhankelijk van de mogelijke oorzaak. Navolgende
maatregelen zijn hierbij noodzakelijk:
-
Koelen
-
Drukverband
-
Elevatie
(hoogleggen) van de betreffende extremiteit
-
Eventueel niet belasten van de betreffende extremiteit. Het gebruik van
krukken bij een blessure van de onderste extremiteit kan vaak zinvol
zijn alsmede het aanleggen van een spalk bij een acute blessure van de
bovenste extremiteit.
Wondgenezing
Spieren kennen een rijke bloedvoorziening. Een kracht die groot genoeg is
om een spier te ruptureren, zal tevens een hematoom genereren. Na een
kortstondige vasoconstrictie zal een reactieve vasodilatatie optreden en
tevens een vergrootte permeabiliteit van de capillairen, zodat plasma en
bepaalde leukocyten zich kunnen verplaatsen. De primaire rol van de deze
leukocyten is opruimen van cellen en verdwijning van de granulatie. De
monocyten bewerkstelligen een fagocytose. Deze fase van destructie duurt
tot 6 dagen na het ongeval. Langzaam groeien dan fibroblasten in de wond.
Deze fibroblasten zijn gedifferentieerd uit mesenchymale cellen. Na 4
dagen beginnen de fibroblasten collageen te vormen in een fibrinenetwerk.
Hierna worden nieuwe endotheliale cellen geformeerd die nieuwe vaten
vormen. Na twee weken hebben zich moleculaire verbindingen gevormd. Deze
verzorgen een toenemende trekspanning. Na 2 weken vermeerderen de
collageenvezels zich, totdat uiteindelijk complete genezing heeft
plaatsgevonden.
Bij het behandelen van een spierruptuur moet vooral aandacht worden
geschonken aan de mogelijkheid van secundaire spieratrofie en de
noodzakelijkheid van revalidatie en versterking van de gehele
spier-peeseenheid. Zo komen vooral bij tennis, squash, discuswerpen,
kogelstoten e.a., veel peesblessures van schouder- en armspieren voor.
Waarschijnlijk ontstaan deze als gevolg van herhaaldelijk opgelopen
kleinere blessures en microscheurtjes in het peesgedeelte van de spieren
die betrokken zijn bij de endorotatie en de exorotatie van de arm. De
behandeling is meestal gericht op het genezen van de peesontsteking. Het
spiergedeelte wordt bij deze blessures vaak verwaarloosd, omdat de
behandeling uitsluitend is gericht op de ontstoken pezen.
Meestal wordt, als de pijn afneemt, weer te snel en te actief gebruik
gemaakt van de geblesseerde spiergroep tijdens de sportbeoefening. Maar
omdat de spiergroep verzwakt is, kan ze nog lang niet optimaal worden
belast. Men gaat dan compenseren en verliest daardoor vaardigheid,
snelheid en controle, die voor de blessure wel aanwezig waren. Het belang
van revalidatie en aangepaste training na een periode van inactiviteit ten
gevolge van een blessure zal hieruit duidelijk zijn. Bovendien is het van
groot belang de ernst van de blessure en de plaats waar de ruptuur is
ontstaan te bepalen. Met andere woorden: om een zinnig
revalidatieprogramma op te stellen moet zo snel mogelijk een diagnose
worden gesteld.
Behandeling
Fase I -
Net als bij alle andere blessures moet de eerste fase van een spierruptuur
bestaan uit Rust, Koelen, Compressie en Elevatie. Soms wordt een
beschermende spalk of bandage aangebracht om de spierpeeseenheid in de
rusttoestand te stabiliseren. Daardoor zal de pijn minder worden en het
risico op strekken en samentrekken van de spier worden voorkomen.
Manuele Lymfedrainage kan als applicatie het genezingsproces aanzienlijk
bevorderen. Bij een beschadiging bevindt zich in het interstitium oedeem
en een grotere hoeveelheid beschadigd celmateriaal. Door de
lymfangionmotoriek te stimuleren worden het oedeem en het beschadigde
celmateriaal versneld afgevoerd en bevordert dit het genezingsproces.
Gedurende de eerste 48-72 uur is massage gecontra-indiceerd bij een
spierbeschadiging, omdat bij uitvoering hiervan nieuwe spierbeschadigingen
kunnen ontstaan. Het is zeer zinvol om na genoemde tijd een hernieuwd
onderzoek uit te voeren. Belangrijk is het om vast te stellen of er sprake
was van een intra- of intermusculaire bloeduitstorting. De volgende vragen
zijn dan belangrijk:
-
Is de zwelling
minder geworden? Indien niet, dan kan men uitgaan van bloeding in de
spier.
-
Heeft de
bloeduitstorting zich uitgebreid, is het hematoom van de beschadigde
plaats naar beneden
gezakt? Indien dit niet het geval is, kunnen we uitgaan van een
intramusculaire bloeding.
-
Heeft de
bewegingsmogelijkheid van de beschadigde spier zich weer hersteld? Is
dit niet het geval dan ligt een intramusculaire bloeding ook voor de
hand.
-
Kan de
bloeduitstorting geïnterpreteerd worden als gevolg van een complete
ruptuur of van een spiervezel-ruptuur?
Door verrekking kan de
spier niet samentrekken en wordt ze dus zwakker. Als een spier korter
wordt, wordt het bewegingsvermogen beperkt en is de coördinatie van de
spier in een bewegingsketen met andere spiergroepen niet meer harmonieus.
Als het een blessure van een van de onderste ledematen betreft, wordt
meestal het gebruik van krukken aangeraden.
Fase
II - Deze fase
van de behandeling wordt gedaan om de maximale rekking en samentrekking
van de spier te garanderen. In hoeverre de behandeling wordt opgevoerd en
met welke snelheid, zal afhangen van de ernst van de blessure. Bij een
spierruptuur van de 1e categorie of een minder ernstige van de 2e
categorie zal de spier binnen enkele dagen weer volledig en normaal kunnen
functioneren. Bij een blessure van de 3e categorie, zal volledig en
normaal functioneren pas na minstens tien dagen en soms pas na vele weken
mogelijk zijn. De revalidatie wordt meestal begonnen met oefeningen die
zijn aangepast aan het bewegingsvermogen, waarbij de reactie van de
spieren nauwkeurig wordt geobserveerd. Door te grote inspanning kan de
blessure verergeren. Bij een verrekking van wordt aangeraden de
bewegingsoefeningen in een warm bad te doen. Door de warmte van het water
en de oefeningen wordt de doorbloeding van het beschadigde weefsel
bevorderd en daarmee de aanvoer van de benodigde voeding. Bovendien is
door te oefenen in water de weerstand tijdens de beweging minder.
Zo mogelijk moeten deze eerste oefeningen altijd uitgevoerd worden onder
toezicht van een sportverzorger (masseur), een trainer of een arts.
Het is niet onverstandig om bij het aanvangen van een oefenprogramma een
postcuratieve bandage aan te leggen.
Een oefenprogramma kan als volgt uitgevoerd worden:
-
Isometrische contractie
van de spier zonder belasting;
-
Isometrische contractie
met een lichte belasting;
-
Voorzichtige dynamische
spiertraining binnen de pijngrens.
Fase
III
- In deze fase heeft de spier haar normale bewegingsvermogen terug.
Dan kan men beginnen met oefeningen met steeds toenemende weerstand.
Hiervoor zijn lichte gewichten aan te bevelen. Geleidelijk aan kan men dan
steeds zwaardere gaan gebruiken. Elders zullen de diverse toegepaste
technieken, bij verschillende blessures, worden behandeld.
Veelal wordt door trainers, sportverzorgers, artsen en atleten zelf het
terugkrijgen van de spierkracht beschouwd als eerste criterium voor het
hervatten van de sportbeoefening. Het is echter slechts een van de
bepalende factoren. Waar het om gaat is dat zowel de spierkracht als de
spierlengte en de conditie na de blessure weer geheel op hun oude niveau
zijn.
Fase
IV - De vierde
fase bestaat uit revalidatie en het weer inpassen van de geblesseerde
spierpeeseenheid in de aangrenzende spiergroepen. Men kan het beste
beginnen met een reeks eenvoudige oefeningen en deze geleidelijk
uitbreiden tot meer ingewikkelde precisieoefeningen. Belangrijk zijn
onderstaande oefeningen:
-
Rekoefeningen om de
bewegingsuitslag te verbeteren en ook om de overige spiergroepen in de
bewegingsketen te betrekken alsmede de antagonisten zijn zeer aan te
bevelen.
-
Coördinatietraining
(training van propriocepsis)
Bij een basketballspeler die herstellende is van een schouderblessure
bijvoorbeeld zal een van de eerste stadia van de oefeningen erop gericht
zijn om alle kleine spieren van het schoudergewricht weer in goede
conditie te brengen.
De oefening bestaat uit het werpen van de bal over een korte afstand
naar de therapeut of trainer. Veel mensen zijn niet in staat de
geblesseerde spier in te passen in de totale bewegingsomvang. In plaats
van de tijd te nemen de normale bewegingen weer aan te leren, zullen
sommige sportlieden andere bewegingspatronen gaan gebruiken en abnormale
bewegingen aanleren
Fase V
- Deze fase na
revalidatie is de voorbereiding op het weer deelnemen aan de
sportbeoefening. In deze fase wordt soms nog een preventieve bandage
gebruikt. De algehele spiersouplesse en het reactievermogen van de spier
moeten weer volkomen normaal zijn. Alvorens men weer volledig met de
wedstrijdsport begint, moet de algemene lichamelijke conditie worden
bekeken. Maar al te vaak is de aandacht te veel gericht op het
geblesseerde lichaamsdeel en vergeet men de rest van het lichaam. Voer een
goed functieonderzoek uit.
Bij beroepsatleten wordt de prestatie vergeleken met die van voor de
blessure, bijvoorbeeld door het tijd opnemen bij een korte sprint, het
bekijken van een film c.q. video-opname van de prestatie, het werpen van
een bal, het trappen van een bal, het zwaaien met een racket of golfclub
enz.
De theorie 'tijdens de wedstrijd krijgt men zijn oude vorm wel weer terug'
is een verouderd principe. Als de sportman weer geacht wordt gereed te
zijn voor de wedstrijdsport, moet de terugkeer zorgvuldig worden
voorbereid, begeleid en geleidelijk aan verlopen. Meestal is het zelfs
helemaal niet mogelijk om weer direct volop mee te doen, zonder dat de
terugkeer in fasen verloopt. Bovendien is ook in deze fase een nauw
contact tussen sportverzorger, sportarts, trainer en begeleiders
noodzakelijk. Zij moeten samen vaststellen hoe snel de terugkeer moet
verlopen en of de speler klaar is voor de eisen die aan hem gesteld worden
bij een onbeperkte deelname.
Slijmbeurs – bursa
Slijmbeurzen (bursae) zijn kleine met vloeistof gevulde “kussentjes”, die
ervoor zorgen om wrijvingen te verminderen of drukbelastingen goed te
verdelen. Zij komen meestal voor tussen bot en pees, tussen twee pezen of
tussen bot resp. pezen en de daarboven gelegen huid. De wand ervan
bestaat uit speciale cellen die gewrichtsvloeistof (synoviaal vocht)
produceren Plaatsen waar veel slijmbeurzen gelokaliseerd zijn: heup, knie,
voet, schouder en elleboog. In sommige gevallen is er een open verbinding
tussen de slijmbeurzen van een aangrenzend gewricht. Zo staat bijvoorbeeld
de slijmbeurs in de knieholte ( de bursa poplitea of Bakerse cyste resp
cyste semimembranosa-gastrocnemia) met het kniegewricht in verbinding. De
slijmbeurs bij de m. iliopsoas kan met het heupgewricht communiceren. De
eerder genoemde slijmbeurzen treft men dus in de buurt van de resp.
gewrichten, doch in gebieden waar herhaaldelijk sterke belastingen,
wrijving of druk voorkomen, kunnen nieuwe slijmbeurzen ontstaan.
Pathologische veranderingen in het gebied van een slijmbeurs komen voor in
de vorm van ontstekingen (bursitis) of haematomen in de slijmbeurs (haemobursa).
Slijmbeursontsteking algemeen – bursitis
Bij ontsteking van de slijmbeurs wordt een overvloed aan vocht
geproduceerd, zodat de slijmbeurs opzwelt. Dit proces herhaalt zich steeds
opnieuw. De toegenomen vochtproductie doet spanning ontstaan in de
slijmbeurs. Daardoor ontstaat er ook meer druk op de slijmbeurs door de
omringende weefsels. De vochtproductie wordt daardoor op haar beurt ook
weer gestimuleerd. Het eindresultaat is een ernstig gezwollen slijmbeurs,
die bij aanraking uiterst pijnlijk is.
Deze ontsteking heet bursitis. Meestal komt de aandoening voor bij
sportlieden die aan tennis, squash of andere racketsporten doen, of aan
werpsporten zoals honkbal en cricket. Maar de ontsteking kan ook ontstaan
als gevolg van het knippen van een heg, het schilderen van het plafond,
het tillen van zware meubelstukken of zandscheppen. Meestal is het een
kwestie van overbelasting en betreft het mensen die ongeoefend zijn. De
slijmbeurs kan de extra belasting niet verdragen. Bij mensen onder de 25
jaar komt deze ontsteking echter zelden voor.
Slijmbeursontstekingen kunnen naar hun ontstaanswijze ingedeeld worden; ze
ontstaan tengevolge van wrijving, door toxische invloeden of infecties.
Een slijmbeursontsteking kan bovendien ook geïsoleerd of tengevolge van
een infectieziekte voorkomen, b.v. als gevolg van een reumatische
artritis.
Slijmbeursontsteking als gevolg van mechanische overbelasting
Slijmbeursontsteking als gevolg van mechanische overbelasting ontstaan b.v.
wanneer de achillespees steeds over slijmbeurs wrijft. Genoemde prikkel
leidt tot een ontsteking die een secretie van vloeistof in de slijmbeurs
tengevolge heeft. Dit gebeuren veroorzaakt zwelling en pijn. Bij het
onderzoek – palpatie - worden vaak vloeistoffluctuaties waargenomen. Bij
ernstige slijmbeursontstekingen en vooral bij oppervlakkig gelegen
slijmbeurzen is de huid rood en is de temperatuur op die plek sterk
verhoogd.
Slijmbeursontstekingen met een mechanische oorzaak komt men vaak tegen bij
sporters die repeterend hetzelfde bewegingspatroon uitvoeren, b.v. bij
tennissers of lange afstandslopers die veel op een harde ondergrond lopen.
Er worden vooral veel slijmbeursontstekingen aangetroffen in de
schouderregio alsook elleboog, knie, heup en hielbeen.
Toxische slijmbeursontsteking
Slijmbeursontstekingen kunnen ook als reacties van peesontstekingen en
degeneratieprocessen van de pezen ontstaan, tengevolge van stoffen die
bij genoemde aandoeningen ontstaan. Dit soort slijmbeursontstekingen
manifesteert zich vooral bij sporters boven de dertig die jarenlang
intensief bij tennis de ”backhand’ uitgevoerd hebben of in dezelfde groep
bij werpers met jarenlange intensieve belasting.
Vooral veel is de bursa subacromiale, die boven de pees van de m.
supraspinatus ligt, aangedaan. Hier kan ook kalkneerslag ontstaan, dat
wordt gevormd door organisatie van het ontstekingsweefsel. Dit is op een
röntgenfoto te zien en geeft bijna altijd aanleiding tot klachten. In een
aantal gevallen wordt de bursitis secundair in het kader van een
zogenaamde “pseudojicht” beschouwd.
Infectieuze slijmbeursontsteking
De infectieuze slijmbeursontsteking wordt veroorzaakt door bacteriën, die
of uit de bloedsomloop of van buitenaf door beschadiging van de huid
binnendringen, b.v. na schaafwonden of brandwonden. Het ergste worden de
oppervlakkige slijmbeurzen rondom de knie en elleboog getroffen, v.w.b. de
takken van sport komt dit veel voor bij atleten of voetballers, waar
verontreinigde schaafwonden nogal eens het geval zijn.
Behandeling
De sporter en sportmasseur kunnen de volgende maatregelen nemen
-
Ontlasten m.b.v van een bandage totdat de klachten helemaal weg zijn, b.v.
met een schuimrubber waarin een gat geknipt is, dat boven de ontsteking
komt;
-
Koelen van het betroffen gebied met een koelpakking;
-
Aanleggen van een drukverband;
-
Na
de eerste 24 uur toepassen van warmte (warmtemanchetten);
-
Bij sterke zwellingen of sterke aanhoudende pijn een arts
consulteren.Bij de blessure van de maand maart worden de bursitiden van
diverse gewrichten behandeld.
Plica-syndroom
Als er pijn optreedt bij langdurige inspanning, vooral bij traplopen en
voornamelijk mediaal langs de patellarand en naast de apex patellae, kan
er sprake zijn van een geïrriteerde plica synovialis medialis. Soms
treden daarbij ook slotklachten op. Vaak is er een zeer geringe lokale
zwelling zichtbaar en een pijnlijke streng palpabel. De klacht kan door
zware heuvel- of bergtraining, zowel bij hardlopers als bij wielrenners
voorkomen. De laterale en suprapatellaire plica's geven vergelijkbare
verschijnselen, maar die komen beduidend minder vaak voor. Frequenter zal
men nog te maken hebben met een intracapsulaire fibreuze `plica'-band,
die een expansie (uitspanning) is van de m. vastus en mediaal van de
patella naar de tibia verloopt. De verschijnselen zijn identiek aan het
plicasyndroom.
Hoffïtis
In die gevallen, waar na een partieel letsel van de voorste kruisband
slotklachten ontstaan, moet men bedacht zijn op een fibrotische
verkleving van het lichaampje van Hoffa. Het lichaampje van Hoffa kan
betrokken raken bij een synoviitis of arthritis van het gewricht, zowel
infectieus, traumatisch als postoperatief. Het beeld van een ontstoken
lichaampje van Hoffa wordt zodoende frequent in de literatuur terloops
genoemd, maar niet apart beschreven. Een verdikt of hemorragisch
lichaampje van Hoffa kan aanleiding geven tot impingementverschijnselen.
Infrapatellair
contractuursyndroom
Postoperatieve stijfheid en pijn in de knie, zwelling bij staan of lopen,
kraken, zwakte en doorzakken kan een uiting zijn van inklemming of
verkleving van de synoviaplooien. Dit leidt onherroepelijk tot een forse
bewegingsbeperking met een laagstand van de patella.
Tendinitis van de m. biceps
Een aandoening ter hoogte van de aanhechting aan het fibulakopje,
voorkomend bij hardlopers door verkeerd schoeisel en bij fietsers door
onjuist afstellen van de fiets, in verschillende sporten door kleine
bewegingsbeperkingen en standsveranderingen van de knie. Bij een
instabiele voorste kruisband komt de klacht meer voor, omdat de m. biceps
ter compensatie wordt ingeschakeld. De pijn wordt gevoeld op het
fibulakopje en geprovoceerd bij flexie en exorotatie tegen weerstand.
Laterale meniscus-kyste
Relatief frequent gaat een degeneratie van de laterale meniscus gepaard
met de vorming van de kyste, die zich dan lateraal voor in de
gewrichtsspleet bevindt en zich daar soms als zwelling zichtbaar of
palpatoir manifesteert.
Tendinitis van de pes
anserinus
Een
pijnlijk gezwollen pees (m. semitendinosus) of insertie aan mediale zijde
van de knie kan vooral door overbelasting van het afzetbeen voorkomen.
Bij mediale instabiliteit en versterkte pronatie worden de klachten vaker
gezien. De pijn wordt geprovoceerd door flexie en endorotatie tegen
weerstand.
Hypertone kapselspanners
Pijn in de knieholte wordt vaak geweten aan kysten of bursitiden en
miskend als het gevolg van hypertone spiertjes. Onbekendheid met de
anatomie van de m. plantaris is daar mede debet aan. Een gespannen gevoel
in de knieholte wordt bij hardlopers en fietsers wel gezien bij
intensivering van de training en kan frequent secundair aan het
patellofemorale syndroom, instabiliteit en/of hydrops optreden. In het
algemeen optredend door een verhoogd beroep op de kapselspanners bij
translaties en rotaties.
Ga voor revalidatie
oefeningen naar:
herstel na een
knieblessure
en
springersknieherstel.
|
|
|